is toegevoegd aan uw favorieten.

De flora van Nederland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1. Corydalis1) I). C. Helmbloem.

Kelkbladen zeer klein, schubvormig. Bovenste kroonblad in een langere of kortere spoor verlengd. Vrucht langwerpig, hauwachtig, samengedrukt, zich met 2 kleppen openend, met 2 of meer lensvormige, zwarte, glanzende zaden. Bloemen purper, wit of geel in vrij ijle trossen.

Bladen blauwgroen, 2- of 3-voudig 3-tallig of gevind.

Biologische bijzonderheden. Corydalis cava, solida en intermedia zijn schaduwplanten. Zij hebben dan ook groote, vlakke, dunne, onbehaarde bladen. Ook openen zich de bloemen, evenals die der meeste boschplanten, vroeg in het voorjaar, als er nog weinig schaduw is van de hen overdekkende gewassen en is hunne jaarlijksche levensperiode vroegtijdig afgeioopen, tegen dat de hen bedekkende boomen in het blad zijn gekomen. Die vroegtijdige ontwikkeling is mogelijk, doordat zich in de knollen bij deze planten een groote hoeveelheid voedsel heeft opgehoopt, waardoor in het vroege voorjaar de ontwikkeling van stengel, bladen en bloemen snel kan plaats hebben.

De Corydalissoorten geleiden het water, dat op de bladen valt, centrifugaal , want de bladen staan niet de toppen naar beneden, ook is de bladsteel ongegroefd.

Tabel tot het determ ineeren der soorten van het geslacht Corydalis.

A. Stengel aan den voet knolvormig, vertakt ot niet vertakt, met eindeiingsche bloemtrossen. Bloemen purper of wit. Zaden met 1 zaadlob. Bladen dubbel 3-tallig.

Blaadjes eirond of langwerpig, ingesneden.

a. Tros veelbloemig, als de vruchten rijp zijn, rechtopstaand. Binnenste bloemkroonbladen gekield, de kiel naar den top van het blad afgerond, stompachtig. Stengel meest niet vertakt.

aa. Schutbladen gaafrandig. Bloemstelen 'I, maal zoo lang als de vrucht. Vrucht

onmiddellijk in den opstijgenden stijl overgaand V. cava blz. 237.

bb. Schutbladen handvormig ingesneden. Bloemstelen even lang als de vrucht. Vrucht met een tijdens den bloeitijd naar boven gebogen punt in den stijl overgaand r. solida blz. 238.

b. Tros armbloemig, tijdens den vruchttijd overhangend. Vrucht onmiddellijk in den opstijgenden stijl overgaand. Knol niet hol. Schutbladen gaafrandig. Bloemstelen 'Is maal zoo lang als de vrucht. Binnenste bloemkroonbladen op den rug vleugelvormig gekield, de kiel naar boven in een spitse punt uitgerekt, die boven het bloemkroonblad uitsteekt C. intermedia blz. 239.

B. Stengel niet knolvormig aan den voet, vertakt, met bloemtrossen tegenover de bladen.

Bloemen geelachtig. Zaden met 2 zaadlobben, zwart.

a. Stengel rechtopstaand. Bladen 3-tallig. Schutbladen langwerpig, getand, met haarvormigen top, korter dan de draadvormige bloemstelen, die even lang als de vruchten zijn. Bloemkroon goudgeel, aan den top donkerder C. lutea blz. 240.

b. Stengel draadvormig, kruipend of klimmend. Bladen dubbel gevind met ranken. Schutbladen ovaal, toegespitst, langer dan de bloemstelen, korter dan de vruchten. Bloemkroon klein, geelachtig-wit . . C. clavicnlata blz. 240.

C. cava ) Schw. et K (C bulbosa :') Pers.) Hol wortel (fig. 278).

Uit den knolvormigen, bruinen, ten slotte beneden uitgeholden wortelstok komen verscheiden onbehaarde, ronde stengels, die meestal onvertakt zijn en gewoonlijk 2 bladen dragen (en geen schub onder deze, die bij andere

') Van het Grieksche korydalis: kuifleeuwerik, naar de overeenkomst van de geheele eindeiingsche bloeiwijze met den kuif van dit dier. *) cava = hol, om den hollen knol. J) bulbosa = boldragend.