Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bladerde heen en weer gebogen stengeltjes komen. De bladen zijn priemvormig, spits toe¬

loopend, grasgroen, aan den voet breeder en scheedeachtig.

De bloemen staan in armbloemige 3-6(-12)-bloemige trossen, zijn klein en wit. De kelkbladen staan rechtop, de kroonbladen zijn smal, 1 ■/, maal zoolang als de kelkbladen, samenneigend. De vruchttros is soms korter dan de bladen, met ongelijk lange vruchtstelen. De hauwtjes zijn langwerpig, opgezwollen, met 1-nervige I:leppen en zittenden stempel (fig. 352). Zaden zitten er 2-4 in iedei hokje in 2 rijen, zij zijn ovaal en glad. 1-8 cM. q. Juni—September.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt op den bodem van meren, vijvers en plassen en aan de slijkachtige oevers van deze op sommige plaatsen in Europa voor. Bij ons is zij in 1881 waarschijnlijk tusschen Lunteren en Ede gevonden, doch later nooit weer. Het is trouwens een plantje, dat gemakkelijk over het hoofd wordt gezien, daar het ook onder water bloeit en vruchten vormt. Het groeit gaarne in gezelschap van Lobelia, Littorella, Cyperus flavescens en Scirpus setaceus.

27. Tlilaspi ') I)ill. Boeren kers.

Kelkbladen opgericht of een weinig uitgespreid, aan den voet gelijk. Kroonbladen bijna gelijk. Meeldraden zonder tanden. Hauwtjes afgerond, ovaal of omgekeerd eirond, uitgerand of afgeknot, aan den top zijdelings samengedrukt, openspringend, met gekielde of min of meer gevleugelde kleppen. Zaden 2—8 in ieder hokje.

Bloemen wit of rose. Bladen gaafrandig, getand of bochtig, de stengelstandige stengelomvattend , geoord. Onbehaarde of bijna onbehaarde planten.

Biologische bijzonderheden. De bouw der bloem met het oog op de bestuiving is als bij de kleinere Cruciferenbloemen in het algemeen (zie bij het overzicht der familie).

Tabel tot het deter mineeren der soorten van liet geslacht Th laspi.

A. Onderste bladen bochtig getand, de bovenste met korte, spitse oortjes. Plant geelgroen. Hauwtjes ovaal, diep ingesneden, vlak, in het rond breed gevleugeld, ieder hokje 5-6-zadig. Zaden rimpelig T. arvense blz. 297.

B. Bladen gaafrandig of verwijderd getand. Stengelbladen met stompe of bijna spitse oortjes. Plant min of meer blauwgroen. Hauwtjes uitgerand en gevleugeld. Zaden glad.

a. Stijl korter dan de insnijding van het hauwtje. Helmknopjes geel. Hauwtjes wigvormig-langwerpig, kort, weinig aan den voet versmald, met 3-5-zadige hokjes.

T. perl'oliatum blz. 298.

b. Stijl even lang als of langer dan de insnijding van het hauwtje. Helmknoppen eerst geel, later zwart violet. Hauwtjes wig-hartvormig met 4-8-zadige hokjes. Meeldraden even lang als of langer dan de kroonbladen . . . . T. alpestre blz. 298.

T. arvénse-) L. Witte krodde (fig. 353).

Uit den penwortel komt een al of niet vertakte, rechtopstaande, ronde, gegroefde, los bebladerde, onbehaarde stengel. De onderste bladen, die tijdens den bloeitijd meestal ontbreken, zijn omgekeerd-eirond, kort gesteeld, de hoogere zijn langwerpig, stomp of afgerond, aan den voet met een ronde bocht pijlvormig ingesneden en zoo zittend, met ongelijk getanden tot gaven rand, onbehaard.

De bloemen staan in stompe trossen, die zich na den bloeitijd sterk ver-

Subularla aquatlca

Fis. 352.

') het stamt waarschijnlijk van 't Grieksche thlaein: samendrukken, afplatten, af en zou dan slaan op den vorm van het hauwtje. ') arvense = veld.

Sluiten