Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

klein en wit. De kelkbladen zijn rechtopstaand, de kroonbladen omgekeerd-eirond, 2 maal zoolang als de kelkbladen.

De vruchttros is lang, los. De vruchten staan op horizontaal afstaande stelen en zijn driehoekig-omgekeerd eirond, zijdelings samengedrukt met rechte of bolle kanten (fig. 368). De stijl is zeer kort. De zaden zijn langwerpig, 10 a 15 in ieder hokje. 5-60 cM. O en ©O. Maart-December.

De var. 3. integrifólia ') is gekenmerkt door gaafrandige, niet ingesneden bladen.

Biologische bijzonderheden. Hoewel de bloemen klein zijn en weinig opvallen, is toch nogal insectenbezoek waargenomen. De inrichting met het oog op de bestuiving is als bij andere kleinbloemige Cruciferae.

Volksnamen. Tal van volksnamen zijn voor deze plant bekend b.v. beursjeskruid (Walcheren), blikgat (Friesland), lepeltjes (vele plaatsen), lepeltjesdief (vele plaatsen), lepeltjeskruid (Friesland), lepels en vorken (verscheiden plaatsen), dubbeltjesdief (Waterland), eendepooten, leugentjes, molentjesdief en sekkedief in Friesland, kennekeskruid (Overijsel), mager mannetje (Noord-Brabant), murenkers (Graafschap Zutphen), schoppediefjes en stroopenlikker (Zuid-Holland), stronttrekkers (Zeeuwsch-Vlaanderen) taschjes en taschjeskruid (vele plaatsen), vaderkruid (Tholen), vlooienkruid (Texel), wilde grutten (Schouwen).

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant is op droge plaatsen op bebouwde en onbebouwde gronden overal in geheel Europa zeer algemeen , ook bij ons. De var. integrifólia is vrij algemeen.

33. Coroiiopiis -) Hall. Varkenskers.

Kelkbladen uitgespreid, bijna gelijk aan den voet. Kroonbladen soms ontbrekend. Meeldraden vaak 2-4. Hauwtje niervormig of 2-knoppig, meer ireed dan lang, zijdelings samengedrukt, rimpelig met eenzadige hokjes, niet openspringend.

Bloemen wit, klein, in korte trossen tegenover de bladen staand. Bladen gesteeld, vindeelig. Eenjarige, liggende planten.

Biologische bijzonderheden. De bouw der bloem in verband met de bestuiving is als bij de kleine Cruciferae.

De stekelige vruchten worden door vogels verspreid.

Tabel tot het detcrmineeren der soorten van het geslacht Coronopus. A. \ ruchttrossen verlengd. Hauwtjes 2-knoppig, aan den voet en den top ingesneden

R v? htt ^te'en ü ' C. dltlymns blz. 308.

vruchttrossen kort. Hauwtjes niervormig, alleen aan den voet ingesneden, langer dan of even lang als de stelen Kuellil „,z 307

C. Ruéllii *) All. (Senebiéra 4) Corónopus Poir.). Varkenskers (fig. 369). Uit den penwortel komen een aantal bijna gaffelvormig vertakte, op den bodem liggende, onbehaarde stengels. De bladen zijn gesteeld, diep vindeelig met gave of naar voren ingesneden langwerpig-lancetvormige slippen. De geheele plant is blauwgroen en iets vleezig, niet riekend.

') integrifólia = gaafbladig. 2) van koroonè: kraai en poes: voet, naar de, trouwens wel wat verwijderde, overeenkomst der bladen met den poot eener kraai. 3') Rue||jj naar den Franschen arts Jean de la Ruelle f1537. *) Senebiera, naar den botanicus Senebier te Gerieve f 1803.

20*

Sluiten