is toegevoegd aan uw favorieten.

De flora van Nederland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De plant heeft een scherpen smaak en is wel als middel tegen scheur-

duik aangewend.

41. Chorispóra ') I). C.

C. tenélla2) Pall. Chorispora.

De onderste bladen der plant zijn vinspletig, de bovenste lancetvormig, getand. De stengel en de bladen zijn met verspreide, gesteelde klierharen bezet.

De bloemen zijn klein en violet.

De hauwen zijn overdwars ingesnoerd (fig. 378). 5-25 cM. O. Mei—Augustus.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant groeit in Zuid-Rusland, in de Levant en is bij ons aangevoerd in het Middenduin bij Haarlem, aan den Houthaven bij Amsterdam, bij Boxmeer en Rotterdam.

42. Rapfstrnm3) Boerh. Rapistrum.

Kelkbladen opgericht, de ziidelinpsche met een zakvormig aan¬

hangsel aan den voet. Bloemen vrij klein. Hauwtje met 2 niet openspringende leden, het bovenste lid grooter, bijna bolrond, Flfr 37K gerimpeld met 1 opgericht zaadje, het onderste ovaal, niet samengedrukt, zonder of met 1 hangend, eirond zaadje. Stijl kegel- of draadvormig. Bloemen geel. Onderste bladen gesteeld, vinspletig tot gevind.

Tabel tot liet d e term ine ere n der soorten van het geslacht Rapistrum.

A. Onderste bladen ongelijk vinspletig of -deelig. Stijl kegelvormig, korter dan het bovenste lid van het hauwtje It. perenne blz. 313.

B. Onderste bladen liervormig gevind. Stijl draadvormig, langer dan het bovenste lid van het hauwtje r. rugosnm blz. 314.

R. perenne4) All. Overblijvende rapistrum (fig. 379).

Uit den dikken penwortel komt een rechtopstaande, dikke, gegroefde, sterk vertakte, verwijderd bebladerde stengel, die met stijve borstel¬

haren, vooral beneden bezet is. De onderste bladen zijn langgesteeld, vinspletig of -deelig met langwerpige, grofbochtig gezaagde slippen. De zaagtanden eindigen in een klier, vaak ook zijn ze door borstelharen gewimperd, evenals de aderen der bladvlakte. De hoogere bladen zijn kort gesteeld, de bovenste zittend, lijn-lancetvormig of lijnvormig, bijna niet getand.

De bloemen zitten in eindelingsche trossen, zijn klein en goudgeel, de stelen langer dan de kelk. De kelkbladen zijn geelachtig, stomp.

De vruchttrossen zijn verlengd, de vruchtstelen langer dan het onderste lid van het hauwtje en dun. De hauwtjes zijn min of meer behaard, min of meer gegroefd, met een kegelvormigen snavel, die korter is dan het bovenste lid van het hauwtje (fig. 379 a). De hauwtjes zijn 2-Iedig (zie boven). 6-9 dM. 4. Juni, Juli.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt op akkers en langs wegen in Hongarije en de aangrenzende landen voor (de gedroogde vruclitbloeiwijzen worden door den wind voortgedreven, soms over groote afstanden, zoog. steppenloopers). Bij ons is zij alleen als aangevoerd waargenomen op het Pothoofd te Deventer, bij Amsterdan-, op

braakland langs de Haarlemmer trekvaart bij Leiden,

in de duinen bij de Wittebrug, bij den Bosch en Rotterdam.

rcapistrum perenne.

Fig. 379.

a. vrucht, b. doorsnede der vrucht, c. wortelblad.

') uit het gr. chooris: gescheiden en spora: zaad, om de gelede hauwen. !) tenella = tenger. =) afgeleid van rapa: raap. De uitgang istrum duidt op mindere waarde, dus een raap, die niet geteeld wordt. 4) perenne = overblijvend.