Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Rapistrum rugosum

Fig. 380.

R. rugósum ') Berg. Eenjarige rapistrum (fig. 330).

Uit den penwortel komt een minder krachtige, lagere stengel dan bij de vorige. Deze

is veridKi, Deneaen ruw, boven fijn-behaard, gegroefd. De wortelbladen zijn spatelvormig, de eerste gaafrandig, de volgende getand. De stengelbladen zijn liervormig gevind, het topblaadje is zeer groot, bochtig getand, de zijblaadjes zijn spits, iets getand, de bovenste zijn langwerpig tot lancetvormig, ook iets getand. Alle bladen zijn van onderen kortborstelig behaard, van boven meest kaal.

De bloemen staan in eindelingsche trossen, zijn klein en geel. De kelkbladen staan rechtop en zijn groengeel. De kroonbladen zijn smal, iets uitgerand, de bloemstelen korter dan de kelk.

De vruchttrossen zijn verlengd, met korte, dikke, rechtopstaande vruchtstelen. De hauwtjes hebben een dunnen snavel, die langer is dan het bovenste lid van het hauwtje. De beide leden zijn overlangs gegroefd en sterk behaard. Het onderste lid is langwerpig, dit zwelt latei op dan het bovenste (fig. 380). De hauwties hebben een h.-irripn wand

3-6 dM. Ö. Mei—October.

De vorm a. scabrum-) Host., die ruw behaard is, is bij ons alleen gevonden.

iJe plant gelijkt in uiterlijk wel wat op Brassica nigra.

Voorkomen in Europa en in Nederland. Op velden en puinhoopen komt deze plant in

, . ,en uid-Europa voor. Bij ons is zij alleen aangevoerd waargenomen, nl. op vlasland bij Rijnsburg, bij Rotterdam en Amsterdam.

43. Raphanistriim3) Trn.

R Lampsana') Gaertn. (Raphanus Raphani'strum L.) Knopherik (fig. 381). Uit den dunnen penwortel komt een ronde stengel, die bij den witbloeienden

vorm sterk vertakt en borstelvormig behaard is, bij den geelbloeienden slanker, minder vertakt en minder behaard is. De onderste biaden zijn liervormig gevind, gesteeld, met 5-11 blaadjes, die stomp en ongelijk getand zijn, het topblaadje is min of meer duidelijk 3-lobbig. De bovenste bladen zijn bijna zittend en zijn soms iets gelobd. Alle bladen zijn grasgroen en met borstelharen min of meer bezet.

De bloemen zitten in een eindelingschen tros, zijn groot, geel met violette of gele aderen, soms wit. De kelkbladen zijn opgericht, iets violet. De kroonbladen zijn dubbel zoo groot, lang genageld.

De vrurhttrnQQpn 711 n \7Prloncrr\ ofninindn

, . wwwwi. ~'J" 'vnviigu llltl

vruchtstelen. De hauwen zijn rechtopstaand, bultig, vallen overdwars in leden uiteen, zijn langwerpig, lederachtig, overlangs gestreept (fig. 381). De snavel is 4 a 5 maal zoolang als het laatste lid, kegelvormig. De zaden zijn bolrond, bruinrood, glad en zitten in 1 rij. 2-6 dM. O luniAugustus. J

De plant wordt vaak met Sinapis arvensis verwisseld, doch is er ook zonder rijpe vruchten, direkt door den rechtopstaanden kelk van te onderscheiden.

Raphanistrum Lampsana

Fig. 381.

') rugosum _ gerimpeld. ') scabrum = ruw. 3) afgeleid van Raphanus; over en uitgang istrum, zie Rapistrum, dus een aan Raphanus verwante plant van mindere waarde. ') Lampsana naar de overeenkomst in vorm der bladen met die van Lampsana.

Sluiten