Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Geranium pratense

Fig. 434.

Biologische bijzonderheden. De bloemen zijn evenals die van andere Geraniumsoorten met groote bloemen sterk protrandrisch en worden vooral door bijen bestoven. De inrichting is vrijwel als bij G. pratense.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt in bosschen en aan berghellingen in Midden-Europa voor. Bij ons is zij zeldzaam od beschaduwde plaatsen. '

G. pratènse ') L. Beemd-ooievaars hek (i\o 434Ï

Uit den krachtigen wortelstok komt een rechtopgaande, ronde, vertakte

biengei, aie kort behaard, doch evenals de bloemstelen naar den top toe klierachtig behaard is. De onderste bladen zijn langgesteeld en 7-deelig met ruitvormige, bijna vinspletige slippen, de hoogere

zijn 6-deelig. Zii hebben lanrpfvnrmi trp QtPiinhlnH^n

De bloemstelen staan in de oksels der bladen, zijn langer dan deze en dragen 2 bloemen. De kelkbladen zijn eirond-lancetvormig, toegespitst, uitstaand. De kroonbladen zijn omgekeerd-eirond, groot, gaaf, breed, eerst lilakleurig, later blauw zelden wit, 2 a 3 maal zoo lang als de kelk. De bloemsteeltjes zijn na den bloeitijd teruggeslagen, later vaak weer rechtopstaand. De vruchtjes zijn' glad, doch evenals de snavel nipt afstaanri»

haren bezet (fig. 434). 3-9 dM. Juni—Augustus.

Biologische bijzonderheden. De klierachtige stengel zorgt, dat kruipende insecten de bloemen niet kunnen bereiken.

De haren aan den voet der kroonbladen beschutten den honig tegen regen, ook staan de bloemen gewoonlijk met haar as horizontaal of schuin. Als de bloemkroon open gaat, zijn de 5 buitenste meeldraden bezig zich naar buiten te bewegen en op denzelfden dag volgen ook de binnenste in die beweging. De helmknopjes zijn nu opengesprongen. Op den volgenden dag buigen zij zich nog verder naar buiten en verliezen de helmknopjes. De stijleinden lagen eerst tegen het centrale zuiltje, doch krommen zich nu naar buiten en nu zijn de stempels rijp en worden door het stuifmeel, uit jongere bloemen door bijen of hommels aangedragen, bestoven, vooral daar zij ongeveer op dezelfde plaats staan, waar eerst de helmknopjes stonden. Later bewegen zich ook de stempels weer naar binnen.

De insecten zetten zich met de pooten op het centrale zuiltje, de kop naar beneden en bewegen hun slurf door de spleten tusschen de voeten van 2 naast elkaar liggende kroonbladen door, waar zij honig vinden. Zij doen zoo achtereenvolgens met de 5 spleten en raken daarbij met de onderzijde van hun achterlijf, dat zij bij het zuigen op en neer bewegen, in jongere bloemen de helmknopjes, in oudere de stempels.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt vooral in bergweiden in geheel Europa voor, doch is bij ons op beschaduwde grasgronden echter vrij zeldzaam, aangetroffen.

Volksnamen. Als volksnaam voor deze plant wordt voor ZeeuwschVlaanderen duimpjes opgegeven, voor het Oostelijk deel van Gelderland kraaienpoot.

') pratense = weide.

Sluiten