Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

G. silvaticum ') L. B o s c h-o oievaarsbek (fig. 435).

Uit den dikken wortelstok komen 1 of meer krachtige, rechtopstaande, boven vertakte stengels, die beneden met rugwaarts gekeerde, korte haren, boven met afstaande klier-

haren bezet zijn. De knoopen zijn dik, vaak roodachtig. De wortelbladen zijn langgesteeld, 7-spletig, met breed ruitvormige, ingesneden gezaagde slippen, de stengelbladen krijgen naar boven toe kortere stelen, zijn tegenoverstaand en 5- tot 3-spletig. De oppervlakte is rimpelig en grasgroen, van onderen zijn zij wat bieeker. De steunbladen zijn lancetvormig.

De bloemstelen zijn rechtopstaand, 2-bloemig, langer dan de bladen, fijn behaard, de steeltjes klierachtig. De kelkbladen zijn langwerpig, klierachtig behaard, stekelpuntig, de kroonbladen zijn gaaf, 2 a 3 maal zoolang als de kelk, rood, soms iets blauwachtig, kleiner dan bij de vorige soort. De vruchtstelen zijn rechtopstaand, de vruchtjes glad, evenals de snavel wijd afstaand behaard (fig. 435). 3-8 dM. 4. juni— Augustus.

Of

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt in bosschen en bergstreken in biina treheel Eurona voor pn i<ï

bij ons alleen op de voormalige buitenplaats het Halder bij Valkenburg (L.) gevonden.

uc pidin uddi veiwiiueru 01 in nel wuu voorkomt, is twijfelachtig.

G. rotundifólium 2) L. R o n d b 1 a d-o oievaarsbek (fig. 436).

Deze soort komt nog al met G. pusillum en G. inolle overeen, doch wijkt o.a. af door de iets grootere, roseroode, ongedeelde kroonbladen en de slechts gelobde bladen.

Uit den penwortel komen uitgespreid vertakte, zacht behaarde stennis rfip liWnH

vpaujt;ciiu ui 1 c».iiiupKddnu zijn. ue geneeie piant is üoor afstaande haren zacht behaard en daartusschen komen naar boven klierharen voor. De onderste bladen zijn langgesteeld. diep nier-hartvormig, 5-7-lobbig, de hoogerezijn korter gesteeld, meest 5-lobbig, met omgekeerd-eironde lobben, die naar voren ingesneden zijn en in de insnijding een roodachtig puntje hebben. De steunbladen zijn roodachtig.

De bloemen zijn korter dan de bladen, 2-bloemig, met bloemsteeltjes, die langer dan de kelk en ook langer dan de bloemstelen zijn. De kelkbladen staan uitgespreid en zijn kortgenaald. De kroonbladen zijn rose. aan den voet wit, iets langer dan de kelk, kort genageld, niet ingesneden. De vruchtjes zijn glad en evenals de snavel kort afstaand behaard met enkele klierharen er tusschen

(11^. 4ob). 1-4 dM. April—September. Geranium rotundifolium

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt FlR' 436'

aan wegen, in heggen, op bouwland en puinhoopen door geheel Europa voor. Bij ons is zij echter slechts gevonden te Apeldoorn (waarschijnlijk aangevoerd), aan den straatweg van Leiden naar Koudekerk en op den St. Pietersberg.

G. columbinum -1) L. F ij n b 1 a d-o oievaarsbek (fig. 437).

Uit den penwortel komen een of meer uitgespreide, vertakte, vaak liggende of opstijgende stengels. Deze zijn , evenals de bloemstelen, aangedrukt behaard, zonder klieren, roodachtig aangeloopen en knoopig. De bladen zijn tegenoverstaand, langgesteeld, in omtrek cirkelrond, iets aangedrukt behaard, handdeelig met 5-7 slippen, die bij de middelste en bovenste bladen vinspletig zijn met uitgespreide lijnvormige slipjes. De steunbladen zijn priemvormig, fijn behaard en staan in de purperroode knoopen.

') cilvaticum — bosch. -•) rotundifolium = rondbladig. •') columbinum = duiven.

Geranium silvaticum

Fit» 435.

Sluiten