Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3-4-)stralig, de stralen zijn 2-takkig. De omwindselbladen zijn langwerpig, stomp, die der omwindseltjes dwars ovaal, uitgehold, zonder naald of zeer kort toegespitst. De klieren zijn halvemaanvormig, doch niet 2-hoornig. De doosvrucht is 5-6 mM, in drogen toestand rimpelig, terwijl de deelen ervan op den rug een groef bezitten (fig. 479). De zaden zijn glad, eirond, parelgrijs (fig. 479).

Biologische bijzonderheden. De huidmondjes der bladen zijn door lage papillen omgeven, waardoor de transpiratie bemoeilijkt wordt (zie in het algemeen bij de halophyten).

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt op zeezand in Westelijk-Europa voor en is bij ons, hoewel vrij zeldzaam, in de Noorden Zuid-Hollandsche zeeduinen te vinden.

E. Esula ') L. Heksenmelk (fig. 480).

Uit den witten wortelstok komen slechts weinige rechtopstaande stengels,

die soms ook onvruchtbare takken dragen en aan den voet vaak roodachtig zijn. Het onderste deel is meest zonder bladen. De stengel is verder rond, onbehaard. De bladen zijn dof, omgekeerd langwerpig-lancetvormig tot lijnvormig-langwerpig, meest stompachtig, die aan de onvruchtbare takken zijn vaak bijna spatelvormig en zittend met een wigvormigen voet. De stengel draagt behalve het topscherm ook meest bloemdragende takken in de bladoksels. Het scherm is veelstralig met herhaald gaffelvormig vertakte takjes. De omwindselbladen zijn lancetvormig met stekelpunt, de bladen der omwindseltjes ruitvormig of driehoekie-eirond. meer

breed dan lang, stomp, stekelpuntig of kort toegespitst. De klieren zijn geel, 2-hoornig met korte hoorntjes. De doosvrucht is 3 mM, bezet met duidelijke half bolvormige tot kort cylindrische wratten en is bij rijpheid bruin (fig. 480). De zaden zijn geelbruin, eirond, glad (fig. 480). 3-7dM. i-. Mei—Juli, soms ook later.

De plant gelijkt op E. Cyparissias, maar verschilt er van door de zwakkere vertakking, de losser staande breedere bladen en de grootere lengte der geheele plant.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt op zandige en steenachtige plaatsen in Noord- en Midden-Europa voor en is bij ons vrij algemeen aan dijken en wegen, langs bouwland, vooral in de nabijheid der rivieren.

Volksnaam. In het Oosten van Drente, Overijsel en Gelderland heet de plant heksenmelk.

E. virjata-') W. et K. Roedewolfsmelk (fig. 481).

Uit den wortelstok komen verscheiden meest tamelijk slappe stengels met tal van onvruchtbare takken. De bladen zijn kaal, dof, gaafrandig, plotseling in een kjrteii steel versmald, lijn-lancetvormig, naar den top toe geleidelijk versmald, met zeer scherphoekig afgaande

Euphorbia Esula

Fig. 480.

i) Esula heet een woord van Keltischen oorsprong te zijn. -) virgata = roedevormig.

Sluiten