is toegevoegd aan uw favorieten.

De flora van Nederland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

genoemd. Ascherson beschouwt haar als een ondersoort van E. Esula en Koch. als een bastaard van E. Cyparissias en E. Esula.

Biologische bijzonderheden. Opvallend zijn de verandering die de cypreswolfsmelk ondergaat, zoo er een schimmel, de Uromyces Pisi in woekert. De stengel wordt dan veel langer dan gewoonlijk en de gewoonlijk dicht opeenstaande bladen (gewone tusschenruimte 1 mM) komen dan verder uit elkaar (wel 2-3 mM). Aan de gezonde plant zijn de bladen dun, buigzaam en wel 12 maal zoo lang als breed, terwijl zij nu dik, stijf, bros zijn en elliptisch (2 a 3 maal zoo lang als breed). Terwijl de gewone plant blauwgroen is, is deze okergeel, ook gaat de sterkere ontwikkeling van den stengel meest ten koste der bloem vorming, die meest uitblijft.

Een mug, Cecidomyia Euphorbiae, veroorzaakt aan deze plant gallen met lijnvormige, rechtop-afstaande tot bundels ineengedrongen bladen. De bladvoeten zijn, en ook de spil der gal is, meest wat verdikt, zoodat het lijkt of de lijnvormige bladen op een ronden knop zitten.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt in bijna geheel Europa op bebouwde en onbebouwde zandgronden en langs wegen voor en is bij ons vrij algemeen, vooral in de nabijheid der groote rivieren, evenals ook de bovengenoemde variëteit.

E. helioscópia') L. Kroontjeskruid (fig. 483).

Uit den penwortel komt een rechtopstaande of opstijgende stengel, die

vaak aan den voet vertakt is, meest verspreid afstaand behaard, rond en dik is. De bladen staan verspreid, zijn aan het bovenste deel van den stengel omgekeerd eirond, naar voren klein getand, afgerond of ingedeukt aan den top, zijn met een wigvormigen voet in den bladsteel versmald. De onderste bladen zijn kleiner en korter gesteeld.

Het scherm is meest 5-stralig, de stralen zijn eerst 3-, later 2-deelig. De omwindselbladen komen in vorm met de bovenste stengelbladen overeen. Het eerste omwindseltje is 3-bladig, van deze zijn de 2 naar buiten staande wel dubbel zoo groot als het derde, zii zijn alle

omgekeerd eirond, aan den top rond en fijn gezaagd. De volgende omwindseltjes zijn meest 2-bladig met ongelijke blaadjes. De klieren zijn geel, ongedeeld, dik, bijna schildvormig. De stijlen zijn nauwelijks2-spIetig. De vruchten zijn 3 a 5 mM, aan den rug afgerond, glad (fig. 483) met netvormig geaderde, bruine, eironde, 2 mM groote zaden (fig. 483). 7-30 cM. O. Juni—Herfst.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt in geheel Europa op bebouwden grond, in moestuinen, op bouwland en ook aan kanten van wegen voor en is bij ons algemeen, doch weinig op veengrond.

Volksnamen. Behalve kroontjeskruid, dat vrij veel gebruikt wordt, heet de plant ook papekloot (Friesland), heksenmelk en zonnewende (Graafschap Zutphen), bolkruid (Achterhoek van Gelderland), duivelskool (Zuid-Limburg),

Euphorbia helioscopia

Fig. 483.

]) helioscopia = zonnewendend.