is toegevoegd aan uw favorieten.

De flora van Nederland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Euphorbia Peplus Fig. 484.

wrattekruid (Texel, Walcheren, het melksap heet geschikt om wratten weg te maken), zilver onder water (Goeree, Tholen) en sjalappe (ZeeuwsehVlaanderen).

E. Péplus') L. Tuinwolfsmelk (fig. 484).

Deze plant is onbehaard en blauwgroen. Uit den witten penwortel komt een rechtopstaande of opstijgende, vaak aan den

voet vertakte stengel met niet bloeiende en bloeiende takken. De bladen zijn gesteeld, omgekeerd eirond, gaafrandig, stomp, vaak ingedeukt aan den top, wigvormig in den bladsteel versmald.

Het scherm is 3-stralig, de stralen zijn herhaald 2-deelig. De omwindselbladen hebben denzelfden vorm als de gewone bladen. De bladen der oinwindseltjes zijn eirond met een zeer klein stekelpuntje. De klieren zijn geelachtig wit met verlengde hoorntjes. De vruchtjes zijn klein en hebben op den rug 2 zwak gevleugelde kielen (fig. 484).

De zaden zijn (fig. 484) 1 mM, 6-kantig, van binnen met 2 diepe groeven, de 4 buitenste vlakten

ieder met 4, de zijdelingsche ieder met 3 groefjes. Zij zijn eerst blauwgrijs, ten slotte lichtbruin. 7-30 cM. O. Juli—Herfst.

Van de veel er op gelijkende E. helioscopia is de plant dadelijk door de gaafrandige bladen te onderscheiden.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant konit in geheel Europa op bouw- en moesland voor en is bij ons algemeen, vooral op kleigrond.

Volksnamen. Op vele plaatsen heet de plant weder heksenmelk (Drente, Overijsel, Gelderland), in de Oostelijke deelen van Gelderland en Overijsel ook bollekruid, in West-Friesland zilverblad, op Walcheren kroontjeskruid, in Zeeuwsch-Vlaanderen ook zoo en ook wrattekruid.

E. exigua-) L. Kleine wolfsmelk (fig. 485).

De plant is kaal, geelgroen, soms iets blauwgroen. Uit den penwortel komt een rechtopstaande of opstijgende stengel,

die meest aan den voet vertakt is en soms beneden ook eenige onvruchtbare takken draagt. De bladen zijn lijnvormig, zitten meest met een breederen voet, zij zijn zeldzamer lijn-wigvormig, spits of stompachtig, stekelpuntig.

Het scherm staat sterk uiteen, is meest 3-, zeldzaam 4-5-stralig, de stralen zijn herhaald 2-deelig. Zoowel de bladen van het omwindsel als van de omwindseltjes zijn lijnvormig, met een breederen, bijna hartvormigen voet. De klieren zijn geel en hebben verlengde hoorntjes. De vruchtjes zijn 2 mM en hebben een afgeronden rug (fig. 485). De zaden zijn vierkant, eerst blauwgrijs, later zwartbruin, rimpelig (fig. 485). 7-22 cM. ©. Juni—Herfst.

Deze soort is door de kleine vruchtjes, die meest in grooten getale voor-

') Peplus, een plant die op Peplis gelijkt. -') exigua =: klein.

Euphorbia exigua

Fig. 485.