Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn donkerpurper, lancetvormig, even lang als de bloemkroon en er tegen liggend. De bloemkroonbladen zijn lichtpurper, zelden bleekrose of wit,

omgekeerd-eirond, een weinig ongelijk, gaafrandig. De stijl is iets langer dan de meeldraden. De doosvrucht is zeer fijn viltig, witachtig. 6-12 dM. 4- Juni—September.

Biologische bijzonderheden. De bloemen openen zich reeds vrij vroeg in den morgen, zij zijn protrandrisch. De honig is beschut tegen regen, doordat de helmdraden aan den voet breed zijn en samen een hollen kegel vormen, die den voet van den stijl omsluit en deze is zelf behaard. In die holle ruimte wordt de honig afgescheiden.

Als de bloemen zich openen, zijn de helmknopjes al opengesprongen, zij zitten zoo, dat de insecten er op aanvliegen, terwijl de stijl dan

nog knievormig neergebogen is en de stempeltakken nog tegen elkaar liggend, een knots vormen. De stempel bevindt zich daardoor buiten de richting, waarin de insecten aankomen, om den honig te bereiken, doch de helmknopjes liggen juist in die richting. Later gaat de stijl, die langer is geworden, rechtopstaan in het midden der bloem en de 4 stempeltakken spreiden zich uit en staan nu voor den toegang tot den honig. Insecten uit jongere bloemen komend, zullen dus kruisbestuiving bewerken.

Later rollen zich de 4 stempels om, zoodat zij in dezelfde bloem de helmknopjes aanraken en nu heeft er zelfbestuiving plaats, welke nog bevorderd wordt, doordat zich de helmdraden iets oprichten en zich het steelachtige vruchtbeginsel wat naar beneden kronit en de bloem daardoor wat gaat knikken. Vooral bijen, hommels en tweevleugelige insecten zijn als bezoekers waargenomen.

Een bijzonderheid is verder nog, dat de bloemen zich alleen op zonnige plaatsen openen, doch op sterk beschaduwde verdorren de knoppen vaak en vallen af.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt vooral in MiddenEuropa op eenigszins beschaduwde plaatsen in zandige streken voor. Vooral op plaatsen, waar bosch is gehakt, komt de plant soms in massa's bijeen voor. Zij is ook bij ons algemeen. Een kleine variëteit ,S. minor is bij Epe gevonden.

Volksnamen. In den Achterhoek van Gelderland heet de plant wilgenroosje, op vele plaatsen kattestaart, in het westelijk deel van Drente en op de Noord-Veluwe slangebloem, in de Graafschap Zutphen wilde selve, in Zuid-Limburg dondertoren en koekoeksbloem en bij Aalsmeer hardijzers.

E. hirsütum ') L. Groote basterdwederik (fig. 601).

Deze plant heeft een zeer langgerekten wortelstok, die in den herfst vleezige, lange uitloopers vormt. De stengel is rechtopgaand, rond, sterk vertakt, ruw behaard met 2 soorten haren, nl. kortere, klierachtige, die naar boven toe algemeener worden en langere haren (alle haren zijn zeer zacht, wit en afstaand). De stengel draagt geen verheven lijsten. De

') hirsutum = ruwharig.

Epilobium angustifolium

Fig. 603.

Sluiten