Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Epilobium hipsu}um

Fig. 601.

bladen zijn langwerpig-lancetvormig, de bladmassa loopt nog een eind langs den stengel naar beneden, zij zijn verwijderd klein gezaagd met naar voren

geKromae zaagtanden.

De bloemen zijn groot (circa 2 cM), de bloemsteel is veei korter dan het langgerekte vruchtbeginsel, zij staan opgericht en zijn langer dan de bladen, in wier oksels zij staan. De bloemknoppen zijn spits door de stekelpuntige kelkslippen. De kelkslippen zijn lancetvormig, stekelpuntig, later teruggeslagen. De kroonbladen zijn 2 a 3 maal zoolang als de kelk, purperkleurig, zelden wit, zwak genageld, aan den top hartvormig ingesneden. De stempels staan kruisvormig uit (fig. 601). De doosvrucht is behaard. 6-12 dM. 21 (Mei) luni— October.

Biologische biiznnrierhpripn Rii F nilnhinm liirot-

tum, montanum en roseum krommen zich niet de bloemstelen periodiek, om zich daarna weer te strekken, maar de steelachtige vruchtbeginsels doen het, zoodat de met een schaal vergelijkbare bloemen dan eens knikkend zijn dan weer rechtop staan. Dit knikken gebeurt bij nacht of slecht weer, het rechtopstaan bij dag en goed weder.

De inrichting der bloem, wat de bestuiving betreft, komt vrij wel met die van E. angustifolium overeen. Merkwaardig is het kleurcontrast in de bloem, zoowel hier, als bij E. montanum, waar de 4 witte stempels een kruis vormen op een rood veld (de kleur der bloem).

Bij E. hirsutum schijnen ook overgangen voor te komen tot de soorten met kleinere bloemen. Dan zijn niet alleen de bloemen kleiner, doch de stempels staan met de langste meeldraden op dezelfde hoogte, zoodat spontane zelfbestuiving onvermijdelijk is.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt in bijna geheel Europa aan oevers van rivieren, beken, slooten en op moerassige plaatsen voor. Bij ons is zij algemeen.

Volksnamen. Op Walcheren heet de plant wilgenroosje, in Groningen en Noord-Overijsel wilde selve.

E. montanum ')L. Berg-basterdwederik (fig. 602).

Bij deze plant is de wortelstok kort, afgeknot, met overwinteringsorganen als bij E. parviflorum. De stengel is slap, ai of niet vertakt, rechtopstaand, fijn behaard doch met één soort van haren, zonder uitstekende kanten, met verlengde leden. De bladen zijn alle tegenoverstaand, eirond tot eirond-lancetvormig, met afgeronden voet, ongelijk getand-gezaagd, met behaarden

rana.

De bloemen hebben slechts 5-8 mM middellijn, zijn voor den bloei knikkend en hebben een stompen top. De kelkslippen zijn stomp, de kroon-

Epilobium montanum

Fig 602

>) montanum = berg.

Sluiten