Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de kroonbladen hebben 6-10 mM lengte. De bloemen staan eenigszins schuin niet de onderste kroonbladen schuin naar voren, terwijl de bovenste ineer vertikaal staan. De meeldraden en stijl liggen in het onderste deel der bloem, zoodat een insect, om honig te zuigen, zijn slurf over deze deelen heen naar den voet der bloem moet bewegen. Daar echter de toppen dier deelen naar boven staan, raakt het insect helmknopjes en stempel aan.

Voor kruisbestuiving wordt vooral gezorgd door de verschillende lengte van de meeldraden en van den stijl in verschillende bloemen. De bloemen zijn n.1. trimorph, drievormig, omdat in iedere bloem de beide meeldraadkransen en de stijl in lengte verschillen, de kortste dier deelen zit in den kelk verborgen, de deelen, die gemiddeld van lengte zijn, steken er 3 a 4 mM uit, de langste 7 a 8 mM. Nu zijn er 3 vormen van bloemen n.1.:

1. langstijlige. Hier is de stijl langer dan de meeldraden en van deze is de helft gemiddeld van lengte, de andere helft kort.

2. middenstijlige. Hier is de stijl gemiddeld van lengte, de helft der meeldraden is langer, de andere helft korter dan deze.

3. kortstijlige. Hier is de stijl kort en de eene helft der meeldraden is zeer lang, de andere helft gemiddeld van lengte.

De stuifmeelkorrels van de langste meeldraden zijn het grootst, die van de kortste het kleinst. De helmknopjes der langste meeldraden zijn groen (misschien om ze minder op te doen vallen aan stuifineeletende insecten), die der andere zijn geel.

Van de 18 mogelijke gevallen van bestuiving is het gebleken, dat alleen die 6 de krachtigste vruchten geven, waarbij het stuifmeel uit een helmknopje komt op een even hoog staanden stempel.

Insecten, wier grootte juist geschikt is voor de bloem (vrij groote bijen, sommige zweefvliegen), zullen zich aan de lange meeldraden resp. stijl of aan die van gemiddelde lengte vasthouden en dan met hun snuit in den voet der bloem dringen, waarbij zij op verschillende deelen van dien snuit en van de andere deelen van hun lichaam stuifmeel krijgen, dat zij aan even hoog staande stempels in andere bloemen af zullen geven.

Als bezoekster der bloem moet in de eerste plaats een bij, Melitta melanura, genoemd worden. Deze toch bezoekt bijna uitsluitend deze bloemen. Zij heeft slechts een snuit van 3 a 4 mM en moet dus ook den kop in de kelkbuis steken, doch zij heeft eene grootte, die precies voor deze bloem past. Onder de vliesvleugeligen moet verder de honigbij, Saropodo rotundata, hommelsoorten en Megachile centuncularis genoemd worden, van de tweevleugeligen Helophilus pendulus, Volucella bombylans en Rhingia rostrata var. campestris, terwijl Halictussoorten, Syrphus balteatus, Melithreptus taeniatus en vlinders slechts 1 of 2 der goede bestuivingen regelmatig volbrengen.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant is een hydrophyt en komt in geheel Europa aan waterkanten en op vochtige plaatsen voor. Zij is bij ons algemeen.

Volksnamen. Behalve kattenstaart, welke naam op vele plaatsen wordt gebruikt, heet de plant in West-Friesland, Utrecht en op Voorne en Beijerland partijke, in Salland paardestaart, in Gelderland ijzerhard, in ZuidHolland basterdwederik, op Walcheren rottestaart.

Sluiten