is toegevoegd aan uw favorieten.

De flora van Nederland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

L. hyssopifólia ') L. Hyssopkaitenstaart (fig. 623).

Uit den dunnen wortel komt een rechtopstaande, meest met afstaande, opstijgende takken voorziene stengel. De bladen staan afwisselend, doch de

onderste meest tegenoverstaand, zij zijn langwerpig-Iancetvormig of lijnvormig, in het midden weinig verbreed, aan den voet nauwelijks versmald, gaafrandig.

De bloemen zijn kort gesteeld, met 2 blijvende, zeer kleine, smalle, witvliezige schutbladen, die korter dan de kelk zijn. De kelk is eerst lang trechtervormig, later meer rolrond, heeft 6 (of 4) krachtige en 6 (of 4) daarmede afwisselende, zwakkere overlangsche strepen, hij heeft 12 (of 8) priemvormige tanden, waarvan de buitenste spits, lijnvormig zijn en de binnenste stomper. De kroonbladen zijn 6 (of 4) in getal. roodachtig-lila, klein, zij zijn langer dan de kelk, bijna lancetvormig. Meeldraden zijn er 6, zelden 12, soms tot 2, zij zijn halverwege in de kelkbuis bevestigd. De doosvrucht is cylindrisch, door den kelk bedekt (fig. 623) en bevat vele eironde, aan 'teene eind spitse, bruine zaden. 7-22 cM. O. Juli—September.

In gedroogden s'aat is de geheele plant vooral grijsgroen. De bloemen zijn niet heterostyl. Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt in Midden- en Zuid-Europa aan slooten en op zeer vochtige plaatsen voor. Bij ons is zij alleen zeker bij Delftshaven gevonden, de andere opgegeven vindplaatsen zijn zeer twijfelachtig.

Lythr^m Hys«opifolia

Fig. 623.

2. Péplis -) L.

P. Portula1) L. Waterpostel ei n (fig. 624).

Dit plantje staat soms ten deele in het water en dan bloeit meest alleen het gedeelte, dat boven water uitsteekt. Is echter het water uitgedroogd, dan blijft het kleiner, is meer roodachtig, doch

heeft in bijna alle bladoksels bloemen. De stengel is vertakt, liggend en wortelt vaak aan den voet. De bladen zijn tegenoverstaand, gesteeld, omgekeerd-eirond, vrij dik, soms staan de bovenste afwisselend.

De bloemen zijn kortgesteeld en staan afzonderlijk in de bladoksels. Zij hebben 2 kleine schutbladen. De kelk is klokvormig, zonder uitstekende ribben en heeft 10-12 tanden, waarvan de buitenste langer of korter zijn dan de binnenste, de grootere zijn driehoekig, toegespitst, lichtgroen en rood gestreept. De kroonbladen zijn 5 a 6 in getal, rose, zeer klein, afgerond ovaal, spoedig afvallend, soms

ontbrekend. Meeldraden zijn er 6, tegenover de breedere kelktanden staand en daarop ingeplant. De stijl is zeer kort met een bolronden stempel. De doosvrucht is bolrond, rood, steekt uit den kelkbeker en is 2-hokkig en veelzadig (fig. 624). 7-22 cM. O—I}.. Juni—Herfst.

De geheele plant is kaal en, vooral de stengel, rood aangeloopen.

De kleine vormen gelijken op Centunculus minimus, de groote op Isnardia

Peplis Portula

Fig. 624.

') hyssopifolia = hyssopbladig. -) Dit was vroeger de naam voor Euphorbia Peplis en daar peplos mantel beteekent, sloeg het daar op de omwindseltjes, die de bloemen als een mantel beschutten. De naam is later op dit geslacht overgebracht, omdat ook hier de kleine bloemen goed beschermd zijn door de bladen, in wier oksels zij staan. ■') Portula wijst op de overeenkomst met Portulaca: postelein.