Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

knopjes, terwijl ze onder den stempel gekromd üggen. Bij het oprichten strijken ze langs den stempelrand, zoodat bij uitblijvend insectenbezoek regelmatig spontane zelfbestuiving optreedt.

Bij P. Padus komt vaak op de bladen een buidelgal voor, die door een galmijt is veroorzaakt en van boven als een lange buidel uitsteekt, doch beneden zich alleen als een wratje verheft. De uitmonding is aan de ónderzijde en is bewimperd, evenals de geheele binnen- en buitenoppervlakte van de gal.

Aan de ondervlakte der bladen vindt men vaak behaarde hoeken der nerven, die meest bewoond zijn door mijten. Zij zijn echter niet sterk ontwikkeld en ook niet constant, zoodat het tot een eigenlijke symbiose tusschen de plant en mijten niet schijnt gekomen te zijn (zie hierover bij Tilia).

P. serótina ') Ehrh. Amerikaansche vogelkers.

Deze boom heeft ovale tot langwerpig-lancetvormige bladen, die iets lederachtig zijn, verder toegespitst, kaal of van onderen op de middennerf behaard, doch van boven glanzend De bloemen staan in eindelingsche, ijle, afstaande, ten slotte knikkende trossen en hebben witte kroonbladen. De vruchten zijn zwartpurper. 6-33 M. Begin Juni.

Voorkomen. Deze boom is afkomstig uit Noord-Amerika, doch wordt bij ons als sierboom veel aangeplant en is zelden verwilderd gevonden.

P. petraéa-) Tausch. Rots kers.

Deze soort blijft gewoonlijk lager dan P. Padus en heeft kleinere, stijvere, dieper gezaagde bladen, kortere, meer opgerichte bloemtrossen en spitsere vruchten, doch komt overigens veel met deze overeen. K

Voorkomen in Europa en in Nederland. Men beschouwt deze als een bergvorm van de vorige, die thuis behoort op de rotshellingen der Sudeten in Bohemen en Silezië. Bij ons komt zij vaak gekweekt voor en soms ook verwilderd.

2. Physocarpus ') Camb.

Heesters met ongedeelde bladen. Meeldraden zonder klierring. Vruchtjes aan den voet verbonden vliezig met 2-4 zaden, bij rijpheid opgeblazen, 2-kleppig. Steunbladen vrij groot, afvallend. Bloei wijze een pluim vormig scherm.

P. opulifolius 'J Maximw. (Spiraéa opulifólia L.). SneeuwbaIspiraea (fig 637) Bij dezen heester zijn de bladen langgesteeld met wigvormigen voet. Zij zijn meest 3-lobbig, in omtrek rondachtig of eirond, ongelijk dubbel ge-

|\UI iviu-^C£dd^U.

De bloemstelen zijn behaard, de kelkbladen eirond, behaard, rechtopstaand. De kroonbladen zijn wit. De vruchten zijn kort gesteeld, onbehaard en hebben glanzende zaden b 15-3 M Juni.

Na den bloeitijd worden de droge zaaddoozen intensief bloedrood gekleurd en maken de bloeiwijze zeer opvallend.

Voorkomen. De plant is een sierslruik uit Noord-Amerika en is bij ons een enkele maal verwilderd aangetroffen (Overveen Doetinchem).

3. Aruncus"') L. Geitebaard.

Kruidachtige planten met 3-tallig dubbel gevinde bladen, zonder

v,Th,K , , pll"m.VOr""K £erangschikte aren van bloemen. Fhysocarpus opulifolius Vruchtbeginsels meest 3. Bloembodem bekkenvormig, vanbinnen Fig. 637.

vèe'lza^ig kliersch'if' Kelk" en kr°onbladen 5. Vruchten kraakbeenig, niet opgeblazen,

') serotina = laat. ü) petraea = op steenachtigen bodem levend. :i) van

phusa: blaas en karpós: vrucht, naar de vliezig opgeblazen vrucht. 4) opulifolius — sneeuwbalbladig. 5) Aruncus = geitebaard. punioiius-

Sluiten