Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de plant dus dicht zodenvormend. Stengels vaak wortelend. Bladen handvormig samengesteld. Bloemen in hijschermen. (Zie verder

den tekst) p. Verna blz. 567.

bbb. Worstelstok dik, weinig vertakt. Bloemen alleenstaand of 2 bijeen aan de schijnas, schijnbaar zijstandig, zeldzamer de stengel van boven pluimvormig vertakt (P. Tormentilla). Stijlen draadvormig.

«. Schijnas uitlooperachtig liggend, vaak later in de knoopen wortelend. Bladen afgebroken gevind. Bloemen 5-tallig. Vruchtjes glad. Bovenste

steunbladen veelspletig I\ anserina blz. 570.

ft. Bladen 3- of 5-tallig handvormig samengesteld (bij P. reptans bijna voetvormig). Vruchtjes met knobbeltjes (verg. P. Tormentilla). na. Schijnassen liggend, later in de knoopen vaak wortelend. Stengelbladen gesteeld. Steunbladen ongedeeld of 2- tot 3-spletig. Schijnassen meest zonder bladdragende takken. Bloemen

meest 5-tallig p. reptans blz. 569.

ftfifl. Schijnassen naar boven vertakt. Bloemen meest 4-tallig.

P. procumbens blz. 569. PP- Stengel opstijgend, niet wortelend. Stengelbladen alle 3-tallig zittend. Steunbladen 3-5-spletig. Bloemen meest 4-tallig.

„ , . i*- Tormentilla blz. 568.

P. fruticosa ') L. Heesterganzerik (fig. 683).

Bij dezen heester zijn de stengels rechtopstaand of opstijgend met dicht opeenstaande takken, die sterk bebladerd ZÜn. De ionpp tnkies 7iin rnnri-

bruin, wit aanliggend behaard. De bladen zijn 5-7-tallig gevind (of vindeelig) met ten deele afloopende blaadjes. De blaadjes zijn langwerpig, spits, van onderen zijdeachtig behaard, van boven groen.

De bloemen zijn groot, geel, komen weinig talrijk voor en staan in eindelingsche bijschermen, die echter arm-, soms zelfs eenbloemig zijn. De bijkelkbladen zijn even lang als de kelk. De kroonbladen zijn rondachtig, langer dan de kelk. De vruchtjes zijn meest ruw behaard. I». 6-9 dM. Juni, Juli.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt in Midden- en Noord-Europa in bosschen en aan rotsen voor. Zij wordt bij ons als sierheester gekweekt en is wel verwilderd gevonden.

P. fragariastrum-) Ehrh. (P. stérilis '•) Grcke). Aardbeiganzerik (fin. 684).

Deze soort heeft een langen, vertakten wortelstok, waaruit bladen, bebladerde uitloopers en bloemstengels komen. De

uitloopers zijn tot 3 dM lang. De bloemstengels zijn zwak, liggend, wollig behaard, zij dragen meestal 2 drietallige bladen en 2 bloemen. Die bladen zijn tijdens den bloeitijd langer dan de wortelbladen en afstaand behaard. De blaadjes zijn rondachtig-eirond, van boven bijna kaal, van onderen en aan den rand zijdeachtig-viltig, zij hebben 8-12 diepe, breede, uitstaande tanden. De bladstelen zijn dicht horizontaal afstaand behaard.

De bloemen zijn wit, klein (8-12mMin middellijn). De bijkelk is korter dan de sterk behaarde kelk. De kroonbladen zijn omgekeerd hartvor-

Potentiila fruticosa

Fig. 683.

Potentiila Fragariastrum

Fig. 684.

') fruticosa = heesterachtig. -) fragariastrum = aardbeiachtig. :1) sterilis = onvruchtbaar. De naam sterilis is door Linnaeus gegeven. Deze noemde de plant Fragaria sterilis, dus aardbei zonder eetbare vruchten. Hij hield haar dus voor een aardbeisoort.

36*

Sluiten