Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en op Walcheren gebruikt wordt, spreekt men van meerwortel in Groningen en Oostelijk-Drente, op Walcheren ook van schijtwortel, in Groningen van weewortel, in Noord-Overijsel van weeblaadje en in de GraafschapZutphen van wedewinde. Verscheidene dezer namen wijzen op het gebruik, dat de boeren in verschillende streken van deze plant maken. Zij geven den wortelstok aan het vee, dat bloed watert. De naam meerwortel zou dan in verband staan met de uitdrukking „Aan 't meer te staan", die gebruikt wordt door de boeren om de genoemde ziekte aan te duiden. Waarschijnlijk staat dit gebruik in verband met de roode kleur van den wortelstok op de doorsnede, volgens de leer der signatura rerum.

Voorkomen in Europa en in Neacrland. De plant is in geheel Europa algemeen op. open zand- en heidegrond, ook bij ons. Volgens Drude is zij meer een plant der vochtige veengronden en zijn de exemplaren, die op heidegrond groeiden, dan ook veel kleiner.

P. procümbens') Sibth (Tormentilla réptans-) L.) Kruipganzerik (fig. 694).

Deze plant heeft een wortelstok, die aan den hals dikker is dan lager.

Daaruit komen lange, liggende, aan den top wortelende stengels. Soms ook wortelen zij niet, zijn naar boven vertakt, wollig. De bovenste bladen zijn zeer kort gesteeld, meest 3-tallig, de onderste meest 5-tallig (verschil met P. Tormentilla, waarbij de bladen ongesteeld zijn). De blaadjes zijn wigvormig-omgekeerd eirond, van voren ingesneden gezaagd, vooral van onderen aangedrukt behaard. De steunbladen zijn gaaf of 2-spietig.

De bloemen staan alleen, op stelen, die even lang als of iets langer zijn dan de bladen. Zij zijn vrij groot (14-18 mM), geel. De bijkelk is even lang als de kelk. De kroonbladen zijn omgekeerd hartvormig, langer dan de kelk, aan den voet donkerder.

Zijn de bloemen 5-tallig, dan zou men haar met P. reptans kunnen verwisselen, doch bij P. procümbens zijn de stengel¬

bladen 3-tallig. De vruchten zijn bijna glad. 4- 1,5-4,5 dM. Juni—Augustus.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt aan wegen, in bosschen, op beschaduwde plaatsen, meest op vochtigen grond voor in Middenen Noord-Europa en is bij ons vrij zeldzaam.

Potentilla procümbens

Fig. 694

P. reptans-} L. V ijf v i nge r k r uï'd (fig. 695).

De wortelstok is dik, daaruit komen lange, niet vertakte, verspreid behaarde, op den bodem liggende, al of niet kruipende stengels (3-6 dM. lang). Zij hebben lange leden en in de knoopen zitten eenige bladen en meest eenbloemige bloemstelen. De bladen ziin voetvoriiiig 5-tallitr met eeniee 3-tallipe. ?\\ 7iin

J O O f-> - ö 1 J ~-J ■"

alle gesteeld. De blaadjes zijn wigvormig-omgekeerd eirond, gekarteld-gezaagd, verspreid aangedrukt behaard. De steunbladen zijn ongedeeld of 2-3-spletig.

Potentilla reptans

Fig. 695.

') procümbens = neerliggend. -) reptans = kruipend.

Sluiten