Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ovaal, dubbel zoo lang als de kelk. De vruchten zijn glad, bruin, van boven stomp, beneden als afgeknot. 2].. Mei—Juli.

Biologische bijzonderheid. De vruchten worden tegelijk met de plant door ganzen gegeten en zoo verspreid.

Volksnamen. De namen zilverschoon, zilverkruid en zilverblad worden veel voor deze plant gebruikt, evenals ook de naam ganzerik (zie boven). In West-Friesland en Waterland heet zij Berkhouterklaver, in de laatste streek ook rutjeblik, in Groningen en Kennemerland blik, in Friesland blikgat, Earnewaldsterklaver, koortskruid en skierebout, in West-Friesland en de Graafschap Zutphen reinpvaar, in Twente gente, op Texel muskuskruid, in het Land van Hulst boterbloem.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt langs slooten, in weiden, op vochtige plaatsen, vooral in Midden- en Noord-Europavoor en is op die plaatsen bij ons algemeen.

11. Potérium L. Sorbenkruid.

Bladen oneven gevind, met steunbladen. Bloemen in dichte aren, zonder topbloem, met 3 schutbladen (1 groot en 2 kleinere hooger). Bloemen 1of 2-slachtig. Kelk 4-bladig, afvallend, zonder bijkelk. Bloemkroon ontbrekend. Meeldraden 4 of 20-30. Kelkbeker (eigenlijk de bloembodem) de vrucht omsluitend, vierkant.

Tabel tot het determineeren der soorten van het geslacht Poterinm.

A. Bloemen meest 2-slachtig, donkerbruin. Kelkbeker om de vrucht zwak vierkant, met gladde vlakken. Slechts een vruchtje. Stempeipapillen kort. Aren rond of langwerpig.

I'. officinale blz. 571.

B. Bloemen groenachtig, aan de lichte zijde roodachtig, de bovenste der aar vrouwelijk, de onderste mannelijk, de middelste vaak 2-slachtig. Kelkbeker 0111 de vruchten scherp 4-kantig met meest niet gevleugelde kanten en rimpelige vlakken. Vruchtjes 2. Stempels penseelvormig I». Sanguisorlia blz. 572.

P. officinale') Benth. et Hook. (Sanguisórba officinalis L.). Groot sorbenkruid (fig. 697).

Deze plant is onbehaard. Uit den kruipenden wortelstok komt een rechtop¬

staande, gestreepte, ronde, naar boven vertakte stengel, die weinig bebladerd is. De wortelbladen zijn vrij groot en oneven gevind. Zij zijn gesteeld en bestaan uit 7-13 blaadjes, die gesteeld zijn en aan den voet van den steel vrij vaak steunblaadjes dragen. De blaadjes zijn uit een vaak hartvormigen voet langwerpig, gekarteld- tot scherp gezaagd, van onderen blauwgroen.

De aren zijn meest langgesteeld. De bloemen zijn donkerbruin, meest 2-slachtig. Meeldraden zijn er 4, zij zijn opgericht en even lang als de kelkslippen. Er is een stijl, deze is kort, eindelings, met een verbreeden stempel. De kelk¬

beker om de vrucht is zwak vierkant met gladde vlakken. Er vormt zich slechts een vruchtje. 2J.. 3-9 dM. Juni—September.

i) officinale = geneeskrachtig.

Poterium officinale

Fig. 697.

Sluiten