Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan dijken, wegen, op ruige plaatsen, in droge weilanden voor en is ook bij ons algemeen.

A. odorata') Mill. Welriekende agremonie (fig. 705).

Deze plant is krachtiger dan de vorige. De stengel is naar boven ververtakt, groen of nauwelijks roodachtig. De bladen

zijn ook grooter dan bij A. Eupatoria. De blaadjes zijn langwerpig-lancetvormig, aan weerszijden verspreid behaard, met vele ldieren, die zich ook op de bloemspil uitstrekken.

De kelkbeker is aan den voet afgerond en bijna half bolvormig, grooter dan bij de vorige, los behaard met teruggeslagen buitenste stekels. De kroonbladen zijn langwerpig-omgekeerd hartvormig, goudgeel. Meestal zijn er 2 vruchten.

Overigens komt de plant vee! met de vorige overeen. 2J.. 4,5-15 dM. Juni—Augustus.

. r * . n • ir j i i r\ Aerrimonia odorata

Voorkomen in Europa en in Nederland. De Fj 70_

plant komt in bosschen, heggen en aan boschkanten in geheel Europa voor, doch is bij ons zeer zeldzaam.

14. Rósa ) Tra. Roos.

Kelk met een kruikvormige, aan den top vernauwde buis, na den bloeitijd aangroeiend en 5 afvallende of blijvende kelkslippen, waarvan de buitenste aan weerszijden, de middelste aan eene zijde vaak vinspletig zijn. Bloemkroon in den knop spiraalvormig gedraaid. Kroonbladen 5, omgekeerd hartvormig, kortgenageld. Meeldraden 20 en meer. Stijlen zijdelings staand, verlengd, blijvend. Vruchtjes vele, beenachtig, ruw behaard, in het inwendige van de vleezig geworden kelkbuis zittend.

Heesters met oneven gevinde bladen met gezaagde blaadjes. Steunbladen voor een groot gedeelte met den bladsteel vergroeid. Stengels en meest ook de bladstelen meer of minder dicht met stekels bezet (de stekels zijn het volkomenst aan de 1-jarige, niet bloeiende takken, de loten). Bloemen wit, rose of rood, groot, welriekend, alleenstaand of in meest armbloemige bijschermen.

Biologische bijzonderheden. De wijze, waarop de verschillende roossoorten zich tusschen andere struiken voegen en vasthechten, is dezelfde als bij verschillende andere heggestruiken en zal bij Lycium beschreven worden (zie aldaar). Hebben die heggestruiken geen gelegenheid gehad, zich in ander struikgewas te vlechten, dan vormen zij zelf een soort heg, die zij later tot steun gebruiken. De eerste loten toch, die krachtig in de hoogte groeien, vormen, nadat zij houtig geworden zijn, bogen, die met den top neerbuigen. Uit de bovenzijde van die bogen komen in het volgend jaar ten deele korte, bloemdragende takjes, ten deele weder lange, rechtopstaande loten, die aan den top weer boogvormig worden. Het vrije eind der oude bogen verdort en de nieuwe leggen zich daarover, enz. Hierdoor ontstaat geleidelijk een natuurlijke heg, die al hooger en hooger wordt, doordat de

') odorata = welriekend. -) Men kan bijna zeggen dat de Ouden de bloemen in 2 klassen verdeelden, n.l. de grootere noemden zij rhodon: rozen, de kleinere ion: violen.

Heukels, Flora. 37

Sluiten