Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Voorkomen. De tot deze familie behoorende geslachten, die heesterachtig zijn: Ulex, Sarothamnus, Genista, zijn alle xerophyten. Tot alle andere geslachten behooren alleen kruidachtige planven. Daaronder zijn als halophyten te noemen: Lathyrus maritimus, Lotus tenuifolius, Anthyllis Vulneraria var. maritima, Trifolium marilimum en T. subterraneum, als hydrophyten: Lotus uliginosus en Lathyrus paluster, als boschplanten: Lathyrus vernus, terwijl op niet te sterk beschaduwde plaatsen groeien (vaak ook op vrij droge weiden, vooral op kalkgrond): Lathyrus silvester en montanus, Astragalus glycyphyllus, Coronilla varia en Trifolium-soorten, b.v. T. medium en striatum. Xerophyten zijn: Ornithopus perpusillus, Trifolium arvense, Medicago falcata, Ononis spinosa en repens, Lotus corniculatus, Vicia lathyroides en Lathyrus silvester. Als weideplanten mogen genoemd worden: Trifolium pratense, repens, hybridum, fragiferum, procumbens, agrarium en minus, Lotus uliginosus en Lathyrus pratensis en eindelijk als ruderaalplanten en akkeronkruiden: Medicago lupulina en andere soorten, de Melilotussoorten, Vicia hirsuta, tetraspermum, gracilis, Cracca, villosa, angustifolium en sepium, Lathyrus Aphaca, Nissolia en tuberosus, terwijl verder verschillende der tot deze familie behoorende gekweekte planten ook wel verwilderd zijn gevonden.

Verdeeling der Papilionaceae naar hunne natuurlijke verwantschap.

A. Phyllolobae D. C.

Zaadlobben bij de ontkieming bladachtig, boven den grond komend.

I. Groep Lotideae D. C.

Peul eenhokkig of min of meer in de lengte tweehokkig, zelden met sponsachtige dwarswanden, min of meer duidelijk openspringend, meer-, zelden eenzadig (in dit geval dunvliezig).

Ondergroep 1. Genistenr P. r Kelk mir. of meer duidelijk 2-üppig. Zwaarden aan der. bovenrand rimpelig met plooien. Helmdraden alle vergroeid. Peul eenhokkig.

Gesl. Ulex, Sarothamnus, Genista, Cytisus en Lupinus.

Ondergroep 2. Anthyllideae Koch. Kelk gelijkmatig 5-spletig of -tandig of 2-lippig. Zwaarden niet rimpelig. Helmdraden alle vergroeid (bij onze inlandsche geslachten), naar roven breeder. Peul eenhokkig.

Gesl. Ononis, Anthyllis.

Ondergroep 3. Trifolieae D. C. Bladen (bij onze soorten) 3-tallig. Bovenste meeldraad vrij. Peul eenhokkig.

Gesl. Medicago, Trigonella, Melilotus, Trifolium, Lotus, Tetragonolobus. Ondergroep 4. Galegeae Bronn. Bladen oneven, zelden even gevind. Bovenste meeldraad (althans voor de helft) vrij. Peul eenhokkig.

Gesl. Glycyrrhiza, Galega, Colutea, Robinia.

Ondergroep 5. Astragaleae Adans. Bladen meest oneven gevind. Bovenste meeldraad vrij. Peul door den naar binnen gebogen rugnaad min of meer volledig 2-hokkig.

Gesl. Astragalus.

II. Groep Hedvsarldeae Asohers. «t Gr.

Bovenste meeldraad vrij. Peul met dwarsschotten, vaak in leden uiteenvallend, soms eenhokkig, 1-zadig en dan stijf, niet openspringend.

Ondergroep 1. Coronideae D. C. Bloemen in okselstandige, hoofdjesacHtige schermen. Peulen rond of samengedrukt. Bij onze geslachten: bladen oneven gevind, peulen lijnvormig, recht of iets gebogen.

Gesl. Coronilla, Ornithopus.

Ondergroep 2. Hedysareae D. C. Bloemen in okselstandige trossen. Peulen samengedrukt.

Gesl. Onobrychis.

B. Sarcolobae D. C.

Zaadlobben ook na de ontkieming dik en melig. Peulen 1-hokkig of door sponsachtige dwarsschotten overdwars in hoopjes verdeeld.

I. Groep Vielldeae Ascbers. et Gr.

Zaadlobben na de ontkieming binnen de zaadhuid en onder den bodem blijvend. Bladen

Sluiten