Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naar beneden en alleen de stijl kromt zich naar boven en met zijn top naar binnen.

Volksnamen. Als volksnamen zijn vooral in gebruik kattendoorn in Twente, den Veluwezoom en in West-Friesland, stekelbrem op de Veluwe en in WestFriesland, stekelheide aan den Zoom der Veluwe en hiethekkels in de oostelijke deelen van Overijsel en Gelderland.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt op heide- en veenachtigen grond, ook in de duinen in West-Furopa voor en is bij ons algemeen.

4. Cytisus1) Tril. Gouden regen.

C. sagittalis-) Koch. (Qenista sagittalis L.). Pijl brem (fig. 732).

Deze plant heeft een liggenden, wortelenden, korten stengel met rechtopstaande takken

"* , ineesi unvertaKie, reente, groene takken. De

bladen staan vrij ver uiteen, zijn zittend, langwerpig, spits, met gewimperden rand. Van de inplantingsplaats er van loopen 2 breede, naar beneden smaller wordende vleugels langs den stengel af. Er zijn geen steunbladen.

De bloemen zijn vrij groot (12-15 mM) en staan in dichte, armbloemige, eindelingsche trossen. De bloemsteeltjes zijn behaard met 2 borstelige schutblaadjes. De bloemen hebben een ruw behaarden kelk met gelijke lippen, die langer dan de buis zijn, een goudgele bloemkroon, waarvan de vlag glad, iets uitgerand is en even lang als de diep uitgerande kiel. De helmdraden zijn alle vergroeid. De peul (fig. 732) is 15-20 mM lang en 5 mM breed, samengedrukt, zwart, bultig, behaard, met 2-6 zaden. De zaden zijn stomp 4-hoekig, glanzend. If. 1,5-3 dM. Mei, Juni.

Dit heestertje liikt onnervlakkii? veel mppr nn ppn P.pniet-i

d?.n OD een Cvtisus-soort. rn.-l.-ir rlp limrincr vnn

. ■■***»■•■*>» fivmpn dan ucn auji, ui. siriieei naar

buiten gericht, het eenige doorgaande kenmerk om de geslachten Genista en Cytisus te onderscheiden, maakt deze plant tot een Cytisussoort.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt in bergstreken in Midden- en Zuid-Europa in droge weiden en in boschrijke streken voor en is bij ons alleen in ZuidLimburg gevonden.

Van het geslacht Cytisus, waarvan de meeste soorten 3-tallige bladen hebben, is vooral

utiM.-uu ut ais bieiuoum en sierneesier veel gekweekte gouden regen, Cytisus Laburnum, met hangende bloemtrossen.

5. Lupi'mis1) Trn. Lupine.

L. lüteus ') L. G e I e 1 u p i n e (fig. 733).

Deze plant is dicht aangedrukt behaard, al of niet vertakt, rechtopstaand. De bladen zijn langgesteeld, handvormig samengesteld, 7-9-tallig. De blaadjes der onderste bladen zijn omgekeerd eirond tot langwerpig, stomp, die der bovenste langwerpig-lancetvormig, spits, zij hebben lijn-lancetvormige steunbladen.

De bloemen staan in regelmatige kransen, die eindelingsche trossen vormen, zij zijn bijna zittend, groot, hooggeel, wel¬

riekend, zij staan in de oksels van ovale, vroeg afvallende —

schutbladen. De kelk (fig. 733) heeft een 2-deelige bovenlip, Flg' 733'

die grooter is dan de 3-tandipp ondprlin hii is jiiHpnt-hiicr v™ ,\a

Cytisus sagittalis

Fig. 732.

Van de bloemkroon

— -O- r » •") — —j-vMviui(, i'vimui li. vuil ut UIWLIIIM UUU

is de vlag groot, op den rug ge!:ield, met teruggeslagen randen en heeft de gebogen kiel een

i) kutisos was de naam voor de in het gebied der Middellandsche Zee inheemsche Medicago arborea en was reeds bij Hippocrates in gebruik. -') sagittalis = pijlachtig. ■) van lupus: wolf, om de grijsachtig wollige bekleeding der peulen. •<) luteus = geel.

Sluiten