Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bloemen in kleur wisselend, meest eerst geel, later groen, ten slotte blauwachtig of violet, in eironde trossen. Peul 1 j-2' maal gewonden. Stengel rechtopstaand of opstijgend. Bastaard van M. sativa en M.

falcata media blz. 617.

bb. Peul slakkenhuisvormig, zonder opening in het midden. Eenjarige planten, zonder houtigen wortel. Peul met 3a6windingen. cirkelrond, lensvormig, vlak, aan weerszijden iets gewelfd met vlakken rand, 10-18 mM in middellijn, met 4-5 zaden in iedere spiraalwinding. Trossen 1-3-bloemig, de stelen korter dan het blad. Steunbladen diep borstelvormig vinspletig. Plant bijna onbehaard M. orbicnlaris blz. 6n!

2. Zaden zwart, in ieder der 5-9 windingen 2. Peul bol-tot eirond, zelden cylindrisch, met stekels langer dan de dikte van den rug der windingen, met grof netvormig geaderde zijvlakken M. intertexta var. eeiiinus blz. 619.

B. De van den buiknaad der vrucht uitgaande nerven vormen een aan den rugnaad evenwijdig loopende zijnerf.

a. Jonge peulen na den bloeitijd spiraalvormig, in den kelk teruggetrokken. Rijpe vrucht met dicht aanliggende windingen met verdikten rand, die van korte stekels is voorzien, onbehaard met 5-9 windingen. Steunbladen ingesneden. Zaden sterk gebogen M. spliaerocarpa blz. 619.

b. Jonge peulen na den bloeitijd uit de kelktanden naar buiten gedraaid. Rijpe peul mat losse windingen, met knobbels of stekels, die aan den voet gegroefd zijn, zelden glad.

aa. Peul bijna bolrond.

«. Peulen klein, behaard, met smallen rand, stomp. Stekels opgericht. Zaden

niet door tusschenschotten gescheiden i M. minima blz. 618.

//• Peulen grooter, glad, met breeden rand, hol. Stekels naar buiten gebogen , in 2 rijen. Zaden door tusschenschotten gescheiden . X. arabiea blz 617. bb. Peuien schijfvormig of bijna cylindrisch. Steunbladen vinspletig getand. Zaden door tusschenschotten gescheiden. Stelen der trossen omstreeks evenlang als het blad. Kelktanden 2 maal zoo lang als de buis. Peulen glad, bij rijpheid min of meer zwart wordend M. higpida blz. 618.

M. Lupulina') L. Hopklaver (fig. 739).

Deze plant is verspreid behaard, zij heeft een liggenden of opstijgenden,

uiliu uij ucii uouem veriaKten stengel, ue maden zijn 3-tallig, de blaadjes zijn omgekeerd eirond, iets uitgerand, naar voren getand, de zijdelingsche zijn kort, het middelste is langer gesteeld. De steunbladen zijn half hartvormig of scheef eirond, in een spits uitloopend, zij zijn gaafrandig of iets getand.

De bloemtrossen zitten in de oksels der bladen en zijn langer dan deze, zij zijn tijdens den bloeitijd bijna bolrond, doch later verlengd. De bloemen zijn goudgeel, klein (2-3 mM) en staan op steeltjes, die half zoo lang zijn als de kelk. De laatste heeft lancetvormige slippen, die korter zijn dan de bloemkroon. Deze is geel en heeft zwaarden en

kiel, die even lang zijn, doch slechts half zoo lang als de vlag. De peulen (fig. 739) zijn kaal of aangedrukt behaard, klein, zij worden zwart, zij hebben aan den top slechts een winding, zijn in het midden gesloten, overlangs generfd, gewelfd. © en 0©. 7-60 cM. Mei—Herfst.

In vorm der bladen en steunbladen, in de kleur der bloem en in de beharing is de plant nogal veranderlijk. Zij is van de er veel op gelijkende

meaicago hupiuma

Fig. 739.

') Lupulina = hopachtig.

Sluiten