Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weinig verdikte helmdraden. Stijl draadvormig met knopvormigen stempel. Peul in den kelk en de blijvende bloemkroon ingesloten, zeer klein, eirond of langwerpig, recht, meestal niet openspringend, met 1 a2, zelden 3-6 zaden.

Bloemen rood, wit of geel, in hoofdjes, zelden in dichte aren.

Bladen 3-tallig met gaafrandige of getande blaadjes en aan den voet met den bladsteel vergroeide steunblaadjes.

Kruidachtige, vrij lage planten.

Biologische bijzonderheden. Merkwaardig is de inrichting bij de klaversoorten om te groot warmteverlies door nachtelijke uitstraling tegen te gaan. Na zonsondergang nemen de bladen n.1. den zoog. slaapstand aan, d.w.z. de blaadjes bewegen zich naar elkaar, waarbij zich het topblaadje verheft, terwijl de zijdelingsche een draaiing uitvoeren. Daardoor wordt de totale oppervlakte, die aan de lucht is blootgesteld, veel geringer. Zelfs bij de kiemplanten gaan de zaadlobben tegen elkaar liggen, zoo spoedig de zon is ondergegaan.

De bloemknoppen staan rechtop, gaan de bloemen open, dan krommen zich de stelen zoo, dat de ingang van de bloemen zijwaarts is gekeerd. Als ten slotte het bezoek van insecten niet meer nuttig is, verdrogen de bloemkroonbladen en richt zich de geheele bloem naar beneden.

De inrichting der bloemen met het oog op de bestuiving is bijna als bij Melilotus. Vele soorten hebben een sterken honiggeur, b.v. T. pratense. Als bezoekers komen vooral in aanmerking bijen en hommels.

Volksnamen. De naam klaver wordt het meest gebruikt, in het Oostelijk deel van Drente spreekt men van drieblad, in de Graafschap Zutphen en in Limburg van klee.

Tabel tot het d eter m i nee ren der soorten van het geslacht Trifoliuni.

A. Kroonbladen (althans de zwaarden en de kiel) aan den voet vergroeid. Peul niet buiten

den kelk uitstekend.

a. Bloemen zittend. Stijl aan den top haakvormig gebogen. Bloemkroon na den bloei verwelkend, doch zitten blijvend.

aa. Bloemhoofdjes met eenige onderste vruchtbare bloemen en vele onvruchtbare, slechts uit een steel en lange, draadvormige, behaarde tanden bestaande bloemen in het midden, die zich later als vorken om de rijpe vruchtjes heenslaan. Vruchtkelk niet opgeblazen, met onbehaarde en open keel. Vruchthoofdjes in den bodem dringend. Peul lederachtig, met kleppen openspringend.

T. snbterraneam blz. 629.

bb. Bloemen alle vruchtbaar. Keel van den kelk van binnen met een verheven, vaak behaarde lijst of met een haarring. Peul dunvliezig met een steviger dekseltje, onregelmatig openscheurend, meest l-zadig.

aaa. Kelk 10-ribbig met vernauwde, behaarde, doch nog open keel. Bloemkroon klein, met korte buis. Vlag smal. Hoofdjes duidelijk okselstandig, talrijk, vrij ver van elkaar staand, alleenstaand of 2 bijeen, bijna steeds zonder omhullende bladen.

«. Vruchtkelk buikig en vergroot, tusschen de ribben vliezig. Bloemen gemakkelijk afvallend.

««. Hoofdjes gesteeld, zonder omhullende bladen. Kelktanden vedervormig gewimperd, 3-4 maal zoolang als de buis en veel

langer dan de bloemkroon T. arvense blz. 630.

t>fi- Hoofdjes zittend, met omhullende bladen, okselstandig of schijnbaar eindelings. Kelktanden korter dan de buis, priemvormig, stijf, doornig genaaid, tijdens den vruchttijd afstaand.

T. striatiiin blz. 630.

Sluiten