Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daaronder volgt een 1 4 mM lang, kaal deel en daaronder draagt de stijl een borstel, wiens haren aan de buitenzijde penseelachtig samengedrongen zijn en daar slechts 1 ■> mM innemen, terwijl zij aan de binnenzijde losser staan over 11 .,-2 mM (fig. 799).

De stempel blijft nog lang na het openspringen der helmknopjes kleverig. Bii insectenbezoek treedt eerst de stemnel

en later het stuifmeel uit den top van de kiel, om na het ophouden der drukking er weer in terug te keeren.

Volksnamen. Het meest wordt de naam

acacia gebruikt, in Noord-Limburg en op

Tholen spreekt men van zilveren regen, in Robinia Pseud-Acacia

Zuid-Limburg van witte regen. „ Flg'799,

. Stamper van ter zijde gezien.

Voorkomen in Europa en in Nederland.

De plant is afkomstig uit Noord-Amerika en wordt bij ons veel aangeplant. Ook is zij vaak bij ons verwilderd, doch op sommige plaatsen geheel ingeburgerd.

18. Astragalus ') L.

Kelk buis-klokvormig, met 5 bijna gelijke tanden. Vlag ovaal of langwerpig, niet opgericht, langer dan de zwaarden. Kiel stomp. Meeldraden tweebroederig. Peul uit den kelk stekend of er in gesloten, vaak omgekeerd driehoekig, niet of weinig opgeblazen, volledig of onvolledig tweehokkig, doordat de binnennaad naar binnen is omgebogen, meest veelzadig.

Bloemen rood, violet, blauw of wit- of geelachtig, in okselstandige trossen of hoofdjes.

Bladen oneven gevind, zelden even gevind, zonder ranken. Blaadjes gaafrandig. Steunbladen vrij of vergroeid.

Kruidachtige of aan den voet een weinig houtige planten.

Tabel tot het determineeren der soorten van het geslacht Astragalus.

A. Kroonbladen groenachtig-geel. Plant bijna onbehaard. Blaadjes 9-13, ovaal. Peulen lijnvormig, onbehaard glycyphyllus blz. 653.

B. Kroonbladen purperblauw. Plant aangediukt behaard. Blaadjes 17-25, langwerpig. Peulen ovaal-langwerpig, behaard A. Onobrychis blz. 654.

A. glycyphy llus -) L. H o k j e s p e u 1 (fig. 800).

De plant is groen en bijna onbehaard. Uit den bodem komen vele liggende of opstijgende, vertakte, krachtige, vaak purperkleurig aangeloopen stengels.

De bladen zijn oneven gevind, 4-6-jukkig, met groote, ovale blaadjes. De bovenste steunblaadjes zijn vrij, kruidachtig, toegespitst lancetvormig, de onderste vooral aan de niet bloeiende stengels met elkaar vergroeid.

De bloemen zijn groenachtig geel, vrij groot en staan in ovale, later langwerpige, vrij dichte trossen op okselstandige stelen, die 3 maal zoo

') van het Grieksche astragalos: wervel, hielbeen, naar den hoekigen vorm der zaden. -) glycyphyllus = zoetbladig.

Astragalus glycyphyllus

Fig. 800.

Sluiten