Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Flachlandes schijnt mij zoo overtuigend, dat ik heb gemeend hier niet het voorbeeld in den tweeden druk van den Prodromus Florae Batavae gegeven, te moeten volgen en liever het geslacht, dat daar Ervum genoemd is, mede tot het geslacht Vicia te moeten brengen.

Kelk buis-klokvormig met 5 gelijke of ongelijke tanden. Meeldraden 2- of bijna eenbroederig met een scheef afgesneden buis, naar den top niet verbreed. Stijl draadvormig, gebogen, zijdelings of van voren naar achteren samengedrukt, onder den stempel gebaard of min of meer rondom den top behaard. Peul uit den kelk stekend, langwerpig of lijnvormig, gewoonlijk samengedrukt met een afgeronden top of gesnaveld, 2- of meerzadig.

Bloemen verschillend gekleurd, in gesteelde trossen of 1-3 bijeenzittend in de bladoksels.

Bladen even gevind, meestal met een enkelvoudige of een vertakte rank, met 1-15 paren gave, zelden getande blaadjes. Blaadjes in den knoptoestand samengevouwen. Steunblaadjes aanwezig.

Kruidachtige, soms klimmende planten.

Biologische bijzonderheden. Bij Vicia sepium en V. sativa vindt men zoog. extraflorale nectariën, n.i. zitten aan de onderzijde der steunbladen honig afscheidende haren. Deze iets uitgeholde steunbladen vertoonen in hunne verschillende cellen een goed doorgevoerde verdeeling van arbeid. Terwijl toch de knotsvormige haren honig afscheiden, dienen de lange haren er tusschen om hem vast te houden, terwijl cellen met donkerviolet gekleurd celvocht die deelen intensief gekleurd maken en ze doen opvallen. De afscheiding van honig heeft alleen in de zon plaats en men vindt de, vooral dicht bij den stengeltop rijkelijk honig voortbrengende, nectariën regelmatig door mieren bezocht, die den honig begeerig oplikken. Soms komen ook bijen, hommels, vliegen en wespen voor ditzelfde doel. Men noemt zulke planten mierenplanten (myrmecophilen) en de plant trekt van die mieren, die zij voedsel geeft, ook voordeel, doordat die diertjes de plant tegen rupsen enz. beschutten. Ook bij V. angustifolia en V. faba komen nectariën voor, deze zitten bij de laatstgenoemde aan den spitsen top der bladspil. Volgens Lundström vervangen bij V. Cracca de bladluizen, die de plant geen merkbare schade doen, de nectariën en doen a. h. w. als wandelende nectariën dienst.

Bij verschillende Viciasoorten wordt amphicarpie waargenomen, d. w. z. aan dezelfde plant worden behalve bovenaardsche vruchten, waarvan de zaden ver verspreid worden, ook vruchten gevonden, die hare zaden direct in de aarde begraven. De laatste ontstaan meest uit kleistoganie bloemen. Zoo zijn V. angustifolia, iutea en narbonensis amphicarp. Zelfs is volgens Ascherson Vicia angustifolia slechts een door amphicarpie van V. sativa verschillende biologische vorm.

De bestuiving der Viciasoorten zal bij V. Cracca uitvoeriger beschreven worden, terwijl bij de andere Viciasoorten, voor zoover noodig, de verschillen met V. Cracca zullen worden opgegeven.

Over de ranken bij de Viciasoorten. Bij de Viciasoorten loopen de even gevinde bladen bijna steeds in een rank uit. Zulke ranken vindt men ook bij tal van andere planten. Hier zal er een en ander over worden medegedeeld, zoodat op andere plaatsen met een verwijzing naar hier volstaan kan worden.

De ranken hebben uitsluitend beteekenis, om de plant, die gewoonlijk hoog opgroeit en toch een zwakken stengel bezit, in staat te stellen recht naar

Sluiten