Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CERYLE.

Beide seksen broeden. De jongen verlaten de nestholte eerst in bijna volwassen staat; dikwijls ziet men ze voor het hol zitten, als het ware verlangend om uit te vliegen; bij nadering van gevaar trekken alle zich snel in de opening terug. Hun eetlust is wonderbaar; de oude vogels dragen dan ook van 's morgens vroeg tot zonsondergang af en toe visschen aan, teneinde de hongerige magen te vullen.

Na den broedtijd verspreiden de G. K. zich overal, maar brengen toch dikwijls den nacht in de holen door. Hun vleesch wordt door de Indianen en onze mindere bevolking gegeten; het heeft een tranigen smaak en een sterke vischlucht.

C. alcyon, L. = id., Schlegel, Mus. P. B. = PI. enl. 7/5.

Bov.d. blauwgrijs met kleine witte vlekken aan de vleugels, waarvan de meeste vederen witte tippen bezitten; basis der slagp. v. d. isten rang wit; staartp. met talrijke witte vlekken en dwarsstrepen; eene witte plek voor de oogen; keel wit evenals de nekzijden en een band om den achternek; borstband en zijden blauwgrijs; onderborst en buik wit; snavel zwartachtig; pooten blauwgrijs; iris donkerbruin. Ongeveer hetzelfde, doch zijden en een tweede borstband roodbruin. Jong (ƒ Ongeveer als ad. maar de grijze borstband roodbruin getint en gevlekt. L. 30, vl. 16, st. 8, tars. 0,8, culm. 5. Geogr. dist. Zom. N. Amerika. Wint. Centr. en noordelijk Z.-Amerika. Lok. dist. Het binnenland.

„Kleine Grijsrug Koningvisschers, eng. Belted Kingfishers, fr. Petits Martin-pêcheurs a dos gris, behooren niet tot de gewone inheemsche soorten, maar wel tot de uiterst zeldzame trekvogels uit het Noorden, waar zij evenwel nogal talrijk worden aangetroffen. Hunne kleur komt veel overeen met die der voorgaande soort; alleen zijn ze kleiner in afmeting.

Ook de K. G. K. bewoont de oevers van stroomen of andere waterkanten. Hij is een uiterst schuwe vogel, die reeds op grooten afstand van eene naderende boot of persoon, met een luid „krè krê" wegvliegt. Overigens verschilt hij in levenswijze niet van de grootere species.

C. a. broedt van af Florida tot Labrador. Het wijfje legt ,S tot 8 rondachtige, elliptische, glanzend witte eieren in een ongeveer zes voet diep, bijna horizontaal gat langs den zandigen oever eener rivier, kreek enz. M. afm. 34 X 27 m.M.

Sluiten