Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gevederte, dat dikwijls varieert al naar gelang der omgeving, dat het op eenigszins donkere plaatsen ten naastenbij onmogelijk is de vogels te onderscheiden. Zoo gelijken G. bij het zitten op takken, veel op knoesten en zelfs de witte plek aan de keel is protectief, daar de vogels zoo nu en dan langs den tak naar omlaag kijken, waarbij de witte keelvlek een plekje der door de bladeren heenschijnende lucht gelijkt.

Zoodra de avondschemering invalt, verlaten G. hunne schuilplaatsen ; in woudrijke streken geschiedt dit vroeger dan op open pleinen of savannes. Dan fladderen vele species rond of zitten, wel wat op padden gelijkende, tegen den grond aangedrukt, terwijl anderen de lucht instijgen teneinde daar hunne bijzondere luchtbuitelingen uit te voeren.

Het is geheel onjust, dat G., gelijk de naam aanduidt, de melk uit de uiers van koeien en geiten zuigen. Wel ziet men deze nachtvogels soms in een stal of in de nabijheid van het vee rondfladderen, maar met het kennelijk doel insecten te vangen. Buitendien is de bek van den Geitenmelker tot zuigen geheel ongeschikt.

De geluiden der G. behooren tot de eigenaardigste vogelgeluiden die men in de tropen hoort, maar het valt uit den aard der zaak moeielijk uit te maken van welke soort een gegeven geluid afkomstig is. De meest typische geluiden klinken ongeveer als .. wie-oe,. .. wo-wo-wo,.. . sjie-oe ... wocoe-o ... tjie-piejeeee . . . boe-ta .. . boe-ta .. .kruu . .. srie-ie... ie ... ie . .. ha .. . ha-ha... wie ... po ... wie ... wie ... co ... go, in alle variaties en combinaties, maar steeds langgerekt en dikwijls wegstervend. Vreemd en bovenaardscli klinken deze geluiden te midden der nachtelijke stilte, en jagers verhalen hoe op de open savanne hun het liart soms van schrik opsprong, als een G., onhoorbaar uit de duisternis der vlakte opduikende, onverwachts met een langgerekten schaterlach, vlak boven hunne hoofden heenschoot. De meeste der geluiden worden slechts hoog in de lucht gehoord, terwijl vele hun ontstaan danken aan de lucht, die tusschen de slagpennen van den vliegenden vogel heengiert.

Tot zelfs in Paramaribo kan men G. vooral op maneschijn-

Sluiten