Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het bovenstaande onjuist is, maar dat integendeel het omgekeerde plaats vindt, nl. de vogel houdt steeds zijn achterkop naar de zon toe, alsof het licht hem in de oogen hindert.

De R. G. schijnt een buitengewonen afkeer of vrees voor rood te gevoelen; een gevangen individu wordt uiterst nijdig bij het zien van een stuk rood goed, doch blijft kalm als het eene andere kleur heeft.

N. g. broedt gedurende de droge seizoenen op den grond tusschen het struikgewas of in het woud. Een wijfje, gevangen in de omstreken van Paramaribo, einde Februari, had een bijna voldragen ei in den buik.

Subfam. der CAPRIMLLGINCJi.

EIGENLIJKE NACHTZWALUWEN.

Genera.

A. Snavelbasis met duidelijke lan^e, stijve borstelharen.

H, „Tarsus min of meer bevederd van voren, en korter dan de middenteen en klauw.

„Staart min of meer afgerond.

CAPRIMULGUS, I..

„Staart min of meer ingesneden.

STENOPSIS, CASS.

b. „Tarsus geheel onbevederd, en van gelijke lengte als of langer dan de middenteen en klauw.

„Staart afgerond.

. . . NYCTIDROMUS, GOULD.

„Middelste en buitenste paar staartp. verlengd, het paar volgend naast het middelste het kortst.

.... HYDROPSALIS, WAGL.

B. Snavelbasis met minder duidelijke borstelharen.

a. Staart langer dan half de vleugellengte.

„Staart ingesneden; buitenste paar rectrices het langst; eerste slagpen langer dan de tweede.

CHORDEILES, SW.

Sluiten