Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

FLORISUGA, BP.

F. mellivora, L. = Oiseanx Mouches a collier, dit le Jacobinc, Buff., PI. Enl. 640. — Trochilus m. Cab. in Schomb. Reis.

(j' Bov.d. donker glanzend grasgroen, achternekbasis wit; overig gedeelte v. d. hals, keel en kop donker glanzend blauw met eene groenachtige tint aan den achternek; abdomen wit; flanken glanzend groen; middelste rectrices blauwachtig groen, de overigen wit met purperblauwe tippen, uitgezonderd het uiterste paar, 4at geheel wit is; snavel en pooten zwart. 9 Bov'd' goudgroen, ond.d. groen met witte randen aan de keel-, borst- en flankvederen; middenbuik bijna zuiver wit; basis der dekv. ond. d. st. grijs, de tippen wit met blauwzwarte endbanden; buitenste rectrices blauwzwart met witte tippen en witte buitenvlagbasis; overige rectrices glanzend groen met smalle witte tippen en breede blauwzwarte endbanden. Jong -J[. Keel wit of taankleurig; de blauwe vederen aan de keel verschijnen eerst in het midden, waarna de kleur zich zijwaarts verspreid; de kop is eerst groen, de middelste rectrices en het volgend paar zijn wit bij de basis, staalblauw aan de tippen, en met groenachtige dwarsbanden nabij de uiteinden, buitenste staartp. zuiver wit, de volgende met staalblauwe plekken aan de tippen van de binnenvlag en een smallen rand aan de buitenvlag. L. 10, vl. 6.5, st. 3.5 sn. 2.3. Geogr. dist. Laaglanden van tropisch Amerika, van af Z. Mexico tot het dalgebied der Amazone. Lok. dist. De lagere streken.

„Witnek Kolibries, eng. White-necked Ilummingbirds, fr. C'olibris a collier blanc of Jacobines, zijn dadelijk kenbaar aan hun zuiver witten buik en halsband van dezelfde kleur; ook de staart is grootendeels wit. De wijfjes zien er geheel anders uit en hebben gestipte onderdeelen. Jonge mannetjes dragen het volkomen vederkleed eerst na twee of drie seizoenen.

W. K. worden talrijk in de zwampachtige intermangrove terreinen aangetroffen, waar ze de voorkeur geven aan hooge boomen en dikwijls bij honderden om bloeiende Leguminosen te vinden zijn. In de kolonie heeten W. K. Wit-bere Datrakolibrie, d. w. z. Dokter-Kolibries met witten buik, of ook wel Schutter, omdat hunne kleur eenigszins overeenkomt met de uniform van een Surinaamschen schutter. De naam „dokter", die aan alle groote kolibries gegeven wordt, is vanwege de wijze, waarop deze vogeltjes behendig hunne snaveltjes in de bloemkelken steken, hoewel de kleine soorten dit ook doen.

F. m. broedt vooral tegen het groote regenseizoen. Het

Sluiten