Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Purper- en Pompadoer-Kotinga's. Zijn geluid zou klinken als dat van den Brulaap.

QUERULA, VIEILL.

Q. cruenta, Bodd. = Gobc-moiiclic noir a gorgepourprc de Cayenne, Daub. = Threnocdus rubricollis, Cab. mSchomb. Reis.

(ƒ Geheel zwart met een breeden halsband van verlengde donker kamozijnroode vederen; snavel donker loodkleurig; pooten zwart; iris bruin. $ Ongeveer hetzelfde, doch iets kleiner en met veel minder karmozijnrood aan de keel. Jong. Geheel zonder karmozijnrood aan de keel. L. 25, vl. 17.5, st. 11.5. Geogr. dist. De Guiana s, het dalgebied der Amazone, Ecuador, Columbia en Centr. Amerika tot Costa Rica. Lok. dist. Vooral het binnenland.

„De Bloedkeel Kotinga, eng. Crimson-throated Cotinga, fr. Cotinga a gorge pourpre, bezit een nogal korten wijden snavel en wordt verder onderscheiden door een prachtigen breeden band van op strepen gelijkende vederen aan den hals, die bij de wijfjes evenwel van slechts enkele roode vederen voorzien is.

„In de kolonie staat de B. K. bekend als leero, bij de Indianen als Pawa, doch bij de Warrau's ook wel als Xaikamaroeka. In de lagere zwampachtige streken treft men ze slechts zelden aan, veel talrijker daarentegen in de wouden van het binnenland; en dat doorgaans bij paren of kleine troepen. Hun voedsel bestaat uit vruchten en bessen. Hun geluid klinkt ongeveer als Te-roe of paw-ja; daarbij worden de halsvederen opgericht. Bij het opvliegen echter laat de B. K. een hard krakend „kwe kre" hooren.

Q. c. broedt gedurende het kleine droge seizoen, en volgens de Indianen in holle boomen.

PYRODERUS, GRAY.

P. scutatus, Shaw.

Geheel zwart, doch enkele vederen met een lichten metaalglans; keel en hals, uitgezonderd de kin, karmozijnrood; middenbuik met enkele kastanjebruine vlekjes;

Sluiten