Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

matig met grijsbruin of bruin overdekt, ue omicransie eieren zien er doorgaans ovaler uit dan de gelijkmatig overdekte, maar beide typen worden veelal te zamen in één nest aangetroffen. Xaar men wil zou uit het spitsere ei het mannetje en uit het bruinere exemplaar het wijfje geboren worden. Rondachtige eieren komen minder voor dan bij de volgende soort.

De broedtijd duurt omstreeks tien dagen. Alleen het wijfje broedt, maar wordt dan meermalen door het mannetje gevoed, dat zich ook met de verzorging der jongen bezig houdt. Ook gedurende het broeden tracht hij de verveling van het wijfje door zingen te verdrijven, maar doet dat nimmer op denzelfden boom, waar zich het nest bevindt.

De jongen groeien uiterst snel en verlaten het nest binnen veertien dagen. Het zaadkraken en fluiten leeren ze ook heel spoedig. Mannetje en wijfje voegen zich dan bij de immer aangroeiende vluchten van hunne soort in de gras- en rijstvelden.

De jonge B. G. paart reeds hetzelfde jaar als waarin zij het nest verlaten hebben. Ik heb individuen gezien met slechts een weinig* bruin in hun vederkleed, maar die naast nesten, waarin

wijfjes zaten, verzameld waren.

Dit is dan ook de reden, waarom B. G. zoo talrijk overal voorkomen, tot zelfs in Paramaribo, waar ze menigmaal broeden.

In gevangenschap leven B. G. zelden lang. En hoe vreemd en liefelijk het gezang in de wildernis moge weerklinken, in eene kooi verliest het veel, zoo niet alles, van zijne aantrekkelijkheid.

S. minuta, L. = Bouwreuil a ventre roux dc Cayenne, Daub.

/ Bov.d. bruinachtig grijs; onderrug en stuit kastanjebruin evenals de ond.d.; vleugels en staart zwartachtig met lichtere randen en zoomen aan de slagp. er. vl.dekv.; zoomen der staartp. als de rug; eene witte vlek aan het midden der eerste slagp.; basis der slagp. wit; dekv. ond. d. vl. grijsachtig; dijen grijsachtig bruin; snavel zwartachtig; pooten grauw; iris zwartbruin. $ Ongeveer als het wijfje van .?. oce/lata, maar de ond.d. met eene min of meer roodachtige tint en het wit aan den buik minder duidelijk; snavel bruinachtig, evenzoo de pooten. L. 9.5, vl. 5.2,

Sluiten