Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SPIZA.

hunne voortteling is mij niets bekend, maar eieren van P. uropygialis uit Peru worden beschreven als blauwachtig wit of blauw met grijsachtig zwarte vlekjes (Nelirkorn).

SPIZA, BP.

S. americana, Gm.

(ƒ Kop en nekzijden aschgrijs; voorkop geel getint; eene gele lijn over de oogen en aan de keelzijden; eene zwarte vlek aan de keel; kin wit; borst geel tot aan den witten buik; rug gestreept zwart en licht grijsachtig bruin; stuit bruinachtig grijs; kleinere vl.dekv. roodbruin; slagp. en staartp. zwartachtig. . Ongeveer hetzelfde, maar de kop grijsachtig bruin met zwartachtige strepen; borst minder geel en soms eenigszins gestreept; geen zwarte keelvlek. Na het broedseizoen zijn zoowel het mannetje als het wijfje helderder van kleur, met eenig roodbruin aan de bovendeden. L. 15, vl. 8.3, st. 6, tars. 2.3, culm. 1.5. Geogr. dist. Zom.: Het Oosten der Vereenigde Staten. Wint.: Centr. Amerika tot Cayenne.

De Geelborst Gors, eng. Yellow-breasted Bunting of Thickchisel, kenbaar aan spitse staartpennen van bijna gelijke lengte, is reeds uit Venezuela en Cayenne bekend, hoewel nog niet in Suriname en Demerara waargenomen.

G. G. behooren tot de trekvogels, die den winter in Centr. en Noordelijk Z. Amerika doorbrengen. Volgens Chapman trekken ze dikwijls in vluchten van honderden individuen, die zelden eenig geluid laten hooren. De achtersten van den troep vliegen steeds over de hoofden der overigen heen naar voren. Hun voedsel vergaren ze op de prairiën. Gedurende het broedseizoen, Mei, Juni en Juli, zingt het mannetje een eenvoudig maar niet onaangenaam gezang. Het nogal groote nest van grashalmen, bladeren enz. wordt zoowel op den grond als in lagere struiken of boomen gebouwd. Het wijfje legt 4 of 5 ovale, eenigszins glanzend blauwe eieren. M. afm. 22 X 16 m.M.

Sluiten