Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AGO. — ALE.

den • to set —, belust maken (for, on).

Agon ize [mgsnaiz), v. n. zieltogen, doodsangst uitstaan; —, v. a. folteren; —y (trgani), s. doodstrijd, zieleangst.

Agrarian (agrèarj,n), a.; — law, akkerwet.

Agree (ggri), v. a. vereffenen, verzoenen; —, v. n. overeenstemmen (with), (on, upou), eens zijn over, (with), lijken, passen, (toj, toestemmen in; that foo«l does not — with me. dat voedsel bekomt mU slecht; ♦o — to the prices of, overeenkomen omtrent de prijzen van ; to — ton plan,goedkeuren; to — on a plan, het eens worden; —able, a.: to do the —oble, zich liel' voordoen; he is —able, hy vindt het goed; —able to hls «Iemands, overeenkomstig zijn eischen ; —nhly, ad. aangenaam, overeenkomstig, (to, with); —ableness, s. aangenaamheid, overeenkomstigheid; —ü, a. overeengekomen, int. top! afgesproken! dat blijft zoo!; —ment, s. overeenstemming, overeenkomst, schikking, vergelijk, akkoord, contract; to enter into nn —ment, een contract aangaan ; accordinn to —ment, volgens overeenkomst.

Agrestic [ggrestik); —al, a. landelijk, boersch.

Auricult — n ral {(ggriknlijaral), a. den landbouw betreffend; —ure (agrikoUS9), s. landbouw, landbouwkunde; — urist, s. landbouwkundige.

Agrlmony (ttgrimtni), s. leverkruid.

Agroiiomy (sgronomi), s. landbouwkunde.

Aground (ggraund), ad. aau den grond, gestrand; to riin —, aan den grond raken; to run a «hip —, in den grond zeilen, op het droge zetten; to be —, in de klem zijn, aau lager wal zijn.

Ague letgjii), s. koorts; burning —, heete koorts; —Ht. aanval van koorts.

Aguisli felgjüii), a. koortsig; — ness, s. koortsachtigheid.

Ah (du int. ach! ha! —me, och he!

Ahead fdhed), ad. vooraan, hals over kop; «o —!, vooruit maar! to be —, voor zijn.

Alioy (aJiot), int. heiho! all hands —, alle man op dek; boat —!, Hola! een boot!

Ahull (.ahnl), ad. voor top en takel.

Aid (eid), v. a. helpen, ondersteunen; —, s. hulp, bijstand, onderstand, helper; to give —, hulp verleenen; to come to one's —, iemand te hulp komen; —de camp, adjudant; —er, s. helper; —less, a. hulpeloos; —s, s. in- en uitgaande rechten enaccijnsen; rourt of aids, accijnskantoor.

Ail (eil), v. a, deren, pijn veroorzaken, v. n. pijn hebben, onpasselijk zijn ; what —s hlm ? wat scheelt hem ? he —s nothing, nothin^

— s him, hem scheelt niets; —ing, a. ziekelijk^—ment, s. onpasselijkheid, smart.

Aim [eirn), s. doel, doelwit, oogmerk; —, v. a. richten; v. 11. (at; mikken, doelen op; to

— at maritline power, streven naar macht ter zee; wliat do you — at? waar mik je op, wat voert ge in uw schild? to miss one's —, zijn doel missen; to reach oue'i —, zijn doel bereiken.

Air (fy), lucht, houding, lied; to take the —» een luchtje scheppen; to take airs, zich aanzien geven; —, v. a. luchten; (b.v. to — a room), to build castles in the —, luchtkasteelen bouwen; to give — to one's griefs, aan zijn grieven lucht geven; it lias taken —, het is ruchthunr geworden; soclalistic risings are in tlie ,

socialistische bewegingen zijn „in de lucht"; —balloon,luchtbol ;—built-castles,lucht'

kasteelen ; —current, luchtstroom; —gun, windroer; —hole, luchtgat; —ily, a. luchtig vrooiyk; —iuess. s. luchtigheid ; —ing, s. (het) luchten; to take an —ing;, een luchtje scheppen; —less, a. bedompt; —ling, s. windbuil; —puuip, luchtpom]); —tlircads, herfstdraden; — tiglit, luchtdicht; —y. a. luchtig, dartel.

Aisle [ail), s. vleugel, koorgang.

Ait (eit), e. eilandje.

A.far (adza), ad. op een' kier.

Akimbo (g kt mbo), ad. gekromd; with arms —, met de handen inde zijden, op de heupen.

Akin (»ktn), a. vermaagschapt, verwant.

Alabaster (al9ba8t9), s. albast; —, a. van albast, albasten.

Alack {aUeck), int. helaas! ach! — a-day, int. o wee! o jerum!

Alacrity (alatkriti), s. opgeruimdheid, vrooïykheid.

Alamode (eetemoud), ad. naar de mode; ,

s. soort van zwarte taf.

Alan(t) (9lam(t), wolfshond.

Alarm (9ldm), s. rumoer, noodkreet; wapenkreet, schrik, wekker; — of Ure, brandgeroep; to give the —, het alarmsein geven, in rep en roer brengen; to take —, ongerust worden; to soand —, alarm blazen; —, v. a. te wapen roepen, verontrusten; —ed', a. (at) ongerust over; —ing, a. verontrustend; —bell, alarmklok; —post, looppost (mil.)

Alas (9las), int. helaas]

All» (atb), s. koorkleed.

.llbatross (irlbatrgs), s. stormvogel.

Albelt (ólbiit), ad. alhoewel.

Albino (dlbatnou), s. witte neger.

Albugo (slbjügó), s. witte staar.

Alchem ical (celkemik'l), a. alchymistisch; —Ist, s. goudmaker; —y (etlkinii), s. goudmakerij.

Alcohol (wtlk9ho1), s. alkohol.

Alcoran (ttlkorgn), s. (de) Koran.

Alcove (elkouv), s. alkoof.

Alcyon (trinon), ijsvogel.

Alder (óld9), s. els; —man, s. schepen, wethouder; an —man in chalus, een kalkoen, met sauscysjes behangen; —11. a. van elzenhout.

Ale (eil), Engelsch bier; —berry, biersoep; —conner, —taster, bierkeurder; —hoof, aardveil; —house, bierhuis; —stake, uithangbord; —wife, tapster.

Alee (9li), ad. aan iy.

Alembic (9lemb'k), s. distilleerkolf.

Alert (»lét), a. wakker, vlug; to be on the —. op zijn hoede zyn; —ness, s. wakkerheid, vlugheid.

Sluiten