Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BAL. — BAR.

wekeiyksche balans sluit; to file one'a — ^•heet, zich bankroet verklaren; —, v. a. wegen, vereffenen, afsluiten, aarzelen (about).

Ba Icony (barlkani), *. balkon.

Bald iböld), a.; — ly, ad. kaal; -iimi, s. kaalheid ; —pate. kaalkop.

Baldertlaah (b&ldadees), s. mengelmoes, wartaal;-—, v. a. vervalschen.

Baldrick (böldrik), s. gordel, dierenriem.

llale (beil), s. baal, ellende; —, v. a. in balen doen; —gooda, goederen in balen verpakt; (out) uithoozen; —ful, a. — fully, ad. droevig.

Dalk [bók), s. balk, braakgrond, teleurstelling; —, v. a. teleurstellen (of), fnuiken, tegengaan, —er, s. teleurstelier, hariniraanwyzer.

Hall (hól), s. bal, bol, kogel; to keep the — up( rolling), de zaak aan den gang houden, dansparty; to open tlie —, beginnen; to lead up tlie —. den dans beginnen.

Ballad (btrted), s. ballade; —«inger,». liedjeszanger.

dallast (btrtent), s. ballast;—, v. a. ballasten; —shot, a. scheef geballast.

Ilallet (bffht) s. ballet, dansspel.

Balloon (balikn), s. bol, luchtbol; —iat, luchtreiziger.

Ballot (btrlet), 8. stemballetje, geheime stemming; the —act, de kieswet; —, v. n, ballotteeren; —at ion. s. stemming met balletjes, ballotage; —bo*, stembus; —paper, stembriefje.

Balm (bdm), s. balsem, citioenkruid ; —, v. a. balsemen, verzachten; —y,a. balsemachtig.

Balaani, (biïle'ni), s. balsem, leniging, troost; —Ic,—ical, a. balsamiek; —iire.s. balsamin.

Baluater Ibtrtefita), s. styltje, pilaster.

Balustrade (barlattreid), s. ieuniughek.

Bamboo {bsntbft), s. bainboesriet.

Bamboozle (bsmbftz'I), v. a. bedotten.

Bau (ban), s. huwelyksafkondiging, ban; —, v. a. vervloeken, in den ban doen.

Banane (bgnan»), s. pisangboom.

Banco (btrnkou), het verschil van waarde van geld aan een bank en zyn omloopswaarde.

Band (band), s. bef, band, lint, bende, troep; —and kowu, toga en bef; uiu»ical —, muziekkorps ; —, v. a. verbinden, v 'reenigen; —«ge, 8. verband; —box, s. hoedendoos; — a-man, muzikant.

Bandana liandkerchiefs. rykgekleurde zijden zak- of hoofddoeken (Yóór-Indië).

Banilit fbtrndit), bandiet.

Bandiet (barndtet), s. bandje, amulet.

Bandog, (btrtidorj), s. kettinghond.

Bandoleer (bjnddlis), s. bandelier, patroontasch.

Bandroll (btrndroul), 8. vaantje, wimpel.

Bamly (barndi), s. kolfstok; —, a. gekromd; —leg, krombeen; —legged, kroinbeenig;—, v. a. over en weêrslaan, wisselen, v. n. wedijveren.

Bane (bein), s. verderf, vergift; —, v. a. vergiftigen; —ful, a. vergiitig, verderfelijk; — fulueaa, s. verderfelijkheid; — wort, s. nachtschade.

Bang; (b&n), 8. klap, slag; —, v. a. alaan, stompen; overtreffen; to — the buah, alles

overtreffen.

Bangle [ba:ntg't), v. a. (away) verspillen,

verkwisten.

Baniah (barniS), v. a. verbannen; —er, s. verbanner; —ment, 8. verbanning.

Bank (btgj\k), s. oever, dam, zandbank, roeibank, speelbank, wisselbank; a — of depoaita, een deposito-bank; a — of circulation, een circulatiebank; a public—, een staatsbank; a private —. een particuliere bank; a mortgage—, een hypotheekbank; a aavingf»—, een spaarbank; a braiich—, een filiaal of succursaal; a Joint-atock—, een bank op aandeelen (Commandite bank); a —ing eatabliahment (house, biiaineaa), een bankiershuis (zaak); —agent, directeur van een filiaalbank; — rate, bankdisconto; — holidaya, vrije dagen voor kantoor- en handelsbedienden. Ze zyn: f>ood Friday, Kaater Mouday. Whit Monday (Pinkstermaandag), flrat .Wonday in Auguat, Clirifitiiias l>ay,aud follovving day, or if tliat be Muiiday, then the Bank ia closed on Monday; —, v. a. indammen, v. n. bankzaken dry ven; — able. a. gangbaar (van banknoten); —er, s. bankier, visschersvaartuig; —biII. — note, bankbriefje, banknoot;—rupt s. bankroetier, a. bankroet; — ruptcy (btmnjervpai), s. bankroet.

Bauner (ba-m), 8. banier, vaan; —et, s. vaantje, baanderheer; —ol.s. vaantje, wimpel.

Baiuiock (heentfc), s. haverkoek.

Banna [bcenz), s. huwelijksafkondiging, de geboden; to readthe —,de geboden afkondigen.

Banquet [ban\ktc9t), s. gastmaal; —, v. n. gastmaal houden.

Baiiatickle (larnsWc'!), 8. stekelbaar».

Bauter (btrnta), s. scherts, boert; —, v. a. schertsen, plagen; —er, s. spotvogel.

Bantling, (btrntlir\;), s. klein kind.

Baptia ut (btrptizm), 8. doop; —mal, a. tot den doop behoorend; —t, s. dooper, doopsgezinde; —tery, s. doopvont.

Baptize (bgptatz), v. a. doopen; —r, s. dooper.

Bar (bd), s. bout, staaf, sluitboom, slagboom, toonbank, balie; to read for the — = to atudy law, in de rechten studeeren; tobe called to the —, als advocaat toegelaten worden; maatstreep, zandbank, hinderpaal; —Iron, staafijzer; —keeper, tapper; — innld, buffetjuffrouw; —room, gelagkamer; uioaquito—, muskietennet; the —ai uister, de balk in het wapenschild, een teeken van onwettige geboorte: —, v. a. afsluiten, versperren, verhinderen, uitsluiten.

Barb [bdb), s. baard, weerhaak, paardotuig, Barbarysch paard; —, v.a.scheren, optuigen, met weerhaken voorzien.

Barhacau (babikan), s. schietgat, bruggehoofd.

Barbar iau (bdbêari'ti), s. barbaar, a. barbaarsch; —ic, a. woest, onbeschaafd; —iain, 8. woestheid, onbeschaafdheid, barbarisme; —ity, s, barbaarschheid; — ize, v. a. & n.

Sluiten