Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAN. - CAI'.

ball, — bullet, kanonskogel • —proof, tegen het geschut bestand; —shot, kannonschot; —ode, s. beschieting, v. a. beschieten; —eer, s. kanonnier.

Canoe (kanik), a. kano.

Canon (karn'n). §. kerk regel, domheer, de boeken des bijbels, kanon (drukletter); —bit, gebit; -Iflw. kerkelijk recht; -«*•, s. stiftsvrouw; —icals (kanonik'lz), s. plechtgewaad; —ist, s. leeraar in het kerkelyk recht; — ization (kanonizeis'n), s. heiligverklaring; —ize (karnonaiz), v. a. heiligverklaren; — ry, s. domheersambt.

Canopv (karnapi), s. troonhemel; —bed, — eouch, overdekt rustbed; —, v. a. met een hemel bedekken.

Cauorous (kaniiras), a. welluidend.

Cant (keent), s. bargoensch, gemaakte spraak, geteem, worp; —word, kunstwoord; —, v. a. by afslag verkoopen, stooten, werpen, v. n. bargoensch spreken, temen, huichelen, kenteren, omkantelen.

Canteen (kantin), s. veldflesch.

Cantelope (ka'ntilonp), s. muskaat-meloen.

lanter (karnt»), s. femelaar, korte galop; —, v. n. in handgalop rijden.

Cantharide» {kanthtrridiz), s. Spaansche vliegen, enkelv. Cantharis.

Canticle (karntik'l), s. lofzang; tlie — •, het Hooglied.

Cautie (karnt'l); Cantlet, s. stuk, brok; —, v. a. in stukken deelen.

Canto (karntó), s. zang (van een dichtstuk).

Canton (karntan), s. kanton; —, v. a. katonneeren (roepen); —ize, v. a. in kantons verdeelen; —ment, s. troepenkwartier.

Canvaa (karnvat), s. zeildoek, teil, doek, b. v. a ■*- tent, een tent van zeildoek; painter's —, schildersdoek; to use all one'n —, alle zeilen bezetten; — bag,zandzak; —cliutber, matroos; —edging, zoom van een zeil.

Canvass (ktrnvas), s. onderzoek, zifting, kuiPer«; —, v. a. onderzoeken, ziften, weven, v. n. stemmen werven.

Cany (keini), a. vol riet.

Cauyon (ketnjan), s. holle weg.

Caoutchouc (kAtfuk), s. gom-elastiek.

Cap(^), s. muts, pet, kap, ontdekking, hoofd, ezelshoofd; if the — fits, wear it, wien de schoen past, trekke hem aan ; ahe sets her

— at him, zy tracht hem tot man te kragen;

— and bells, zotskap; — a-pie (kcepapi), van top tot teen; —case, hoededoos; — maker, pettenmaker; —paper, pakpapier; —acuttle, luik; niglit—, slaapmuts; forag* ,nR —♦ politiemuts; —, v. a. eene muts opzetten, bedekken, overtreffen; to — to a man, voor iemand de pet afnemen, het hoofd ontblooten; to — a pair of «hoen, nieuw overleder aan schoenen maken, kappen opzetten ; —, v. n. den hoed afnemen.

Capability (keipabtliti), s. bekwaamheid.

Capable (ketpab'l), a. bekwaam; —ness, s.

bekwaamheid.

Capacious (kapeti't), a. ruim, veelomvattend—ness, b, ruimte.

Capacit ate (kapnsiteit), v. a. bekwaam maken; —y« s. ruimte, omvang, inhoud, vermogen, bekwaamheid.

Caparison (kapttrit'n), s. schabrak; —. v. a. optuigen.

Cap° l£eip)' *' kaap' kraa**. *o doublé 'to weather) a —, een kaap omzeilen; —wine, Kaapsche wyn.

Caper, (keipa), s. kaperschip, sprong, kapper; —, v. n. springen,huppelen; —er, s. springer, danser; to cut —s, bokkesprongen maken.

Capillary (karpilari), (kaptlari), s. haarhuis; —, a. haarvormig, haarfijn.

Capital (karpital),B. kapitaal, hoofdsom, hoofdstad, kapiteel, hoofdletter; —, a.; —ly, ad. voornaamst, hoofdzakelijk, uitmuntend; — criuie, misdaad waarop de doodstraf staat; — puiiishment, doodstraf; —Ut, s. kapitale — fu,,« kosteiyke pret; — stock, bedryfs (handels) kapitaal; ■— in mortniain, kapitaal in de doode hand ; to — ize, kapitaliseren.

Capitation (kapiteti'n), s. hoofdeiyke telline. hoofdgeld.

Capitol (karpital), het kapitool.

Capit ular (kapttjula), s. kapittelverordening, kapittelheer, a. van het kapittel; — ulate,

v. n. onderhandelen over de overgave;

nlation, s. verdrag, overgave.

Capon (keip'n), s. kapoen; —, v. a. kapoenen.

Capot (kapot), v. a. alle trekken halen (spel).

Capote (Jcapout), s. kapotjas.

Capouch (kapAti), s. monnikskap.

Capric e (kapris), s. gril, luim; — lous, a.; iously, ad. grillig, eigenzinnig; —lousnes*, s. eigenzinnigheid.

Capricorn (karprikóan), s. steenbok; tropic ,of the —, steenbokskeerkring.

Caprification (kaepriflketi'n), s. rüpmaking van vygen.

Caprlfole fkarprifoul), s. kamperfoelie.

Capriole (ktrprioxil), s. bokkesprong.

Capsiciiu» (ka'psikam). s. Spaansche peper.

Capsize (kajtfntz), v. a. omwerpen, v. n. kenteren, omslaan.

Capstan (ktepst'n); Capstern, 8. spil, kaapstander ; pawl of the —, pen van den k.; to pawl the —, den k. vastzetten; como UP —» l«uncl» out the —, vier den kabel; —bar, windboom; —barrel, braadspit (van den k.); — tophoop, ijzeren band om den top der spil.

Capsul ar (ka-pénla), a. hol; —ate, — ated, a. in eene holte gesloten ; —e, s. zaadhuisje.

Captain (kwpt'n), s. hoofdman, kapitein, veldheer ; — of horse, ritmeester ; — ship, kapiteinspost, veldheerstalent.

Captation (kapteië'n), s. gunstbejag.

Capti on (karpS'n), s. inhechtenisneming, bevel daartoe; —ous a.; — ously, ad. misleidend, bedilziek; -ousnens, s. vitzucht.

Captiv ate (karptiveit), v. a. innemen, boeien, vangen; —ation s. gevangenneming, boeiing; —e, s. gevangene, a. gevangen, geboeid; —Ity (lcaptiviti), s. gevangenschap; slavernij.

Sluiten