Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CHI. — CHÜ.

hoed; — ping. s. spaander, afsplintering; — piug-kiilfe, hakmes; —py, katterig, dronken. Chlragra (kairtvgr»), s. handjicht. Chirography (kairagrafl), %. schrijf kunst;

handschrift.

Chlrology, (kairohdzi), s. vingerspraak. Chlromaiicy (kainnuensi), s. handwaarzeggerij.

Chirp (tivp), r. gekweel, getjilp; —, v. a. vervrooiyken, v. n. kweelen, tjilpen; — ing, s. gekweel, getjilp.

Chirrup [titrap), v. a. aansporen, v. n. piepen, kweelen.

Chirurgie (kairAclzik), —al, a. heelkundig, Chisel (téiz'l), s. beitel; —, v. a. beitelen, bedriegen.

Chit [tiit), s. spruitje, jong kind, zomersproet;

—, v. n. uitspruiten.

Chitchat (tiittial), s. gebabbel. Chltterlings (t8ttalii\z), s. ingewanden van

eetbare «lieren.

Chltty, (titti), a. kinderachtig.

Chivalr ons, (tiloalras), a. ridderlik;—y, s.

ridderschap, ridderlijkheid.

Chive, (téaiv), s. bieslook; —s,s. meeldraden. Chlor ate (klourat), s. chloorzuur; —ide, ■. chloorverbinding; — ine, s. chloor; — osis, 8. bleekzucht.

Chock (tfok), b. kalf (stuk hout); —of a radder, klik van een roer; - of the bow • •prit, sluitklos aan den boegspriet; — of a bont, klamp; —, v. a. tegenhouden. Chocolate (tëokaleit), s. chocolade.

Choice (tioi*), s. keus, keur, bloem; to make • —» keus doen; take your —, kies naar believen; —, a. —ly, ad. uitgelezen, keurig; the —at of wiiies, de uitgelezenste (fijnste) w\jnen; —troops, keurbenden; to be — of, keurig z^jn in; —les», a. gedwongen; —ness, s. keurigheid.

Cliolr (kiraia), s. koor; —man, s. korist. Choke (tSouk), s. vezelachtig deel eener artisjok.

Choke ttiouk), v. a. verstikken (wlth); verhinderen, onderdrukken ; (of) niet aan het woord laten komen; —, v.n. stikken, (at) zich beleedigd gevoelen over; —damp, stikdamp;

propvol; —pear, wrange peer,harde pil; —vetch, —weed, kleefkruid; —r, s. verstikker, styve das.

Choky (tSouki), a. verstikkend.

Choler (kola), b. gal, toorn; — a, b. cholera; —Ie, a. galachtig, oploopend; — icness, s. lichtgeraaktheid.

Choose (tiüz), v. a. & n. kiezen, verkiezen;

—r, s. verkiezer.

Chop (téop), s. snede, stuk, cötelet, Bpleet; —♦ uitstekend, van de eerste kwaliteit; ~, «*• houwen, klooven, verwisselen; to — logic with one, met iemand redetwisten; (olTj afhakken ;(up) ophappen; to— yarns, geschiedenissen vertellen; a logic — er, een zeurder, wauwelaar; —, v. n. snappen, happen, zich haasten; (about) omspringen; (at) grupen naar; (away) er op slaan; (into) stuiven in; (upon) overvallen; —church,

ruiling van predikantsplaatsen; — fallcn neerslachtig; -house, gaarkeuken; — perl s kloover, hakmes; -ping, a. dik, gezond, flink; —piug.block, hakblok; — ninirboard, hak bord; -plug-knife, hakmes—py. a. vol spleten.

Cliops (tsops), s. bek, muil.

Chornl (koral), a. tot het koor behoorendkoraal. '

Cliord \kó»d), s. snaar, accoord, koorde- — v a. besnaren. ' ' *

Chorist {korist), —er, s. koorzanger. «. horograph er (karografa), s. plaatsbeschrijver; —ie, —ical, a. plaatsbeschrijvend;—y„ s. plaatsbeschrijving.

Chorus (frdróur), 8. koor.

Chough (tsof), s. kauw, steenkraai.

Cliouse (téaun), s. bedrog, sul; —, v.a. bedriegen (of. out of).

Chrism (krizm), * zalfolie.

Clirist (kraist), s. Christus.

Christen (kriv'n), v. a. doopen, noemen; — doop; —dom, s. christenheid.

Chri*tlau (kristj'n), s. christen ; —, a. Iv

ad. christelijk; —name, doopnaam; —ism,' s. christelijke godsdienst, christendom ; —Ity, s. christendom, christelijke godsdienst; —ize v. a. tot christen maken.

Chri.tinn. s. Kerstmis, Kersttijd •

—box, cadeau op het Kerstfeest, kersttreBcheok; — carol. kerstlied ; —<Ihv . kerstdag; —•Iiolidny,, kerstdagen Tan 24 Dec.— n Januari.

ChroiHMt e (kroumet).B. chromaatiuur; —Ic. (kroumtetik), a. chromatisch, tot kleur behoorend; —ies. 8. wetenschap der kleuren. Chroujc (kromk). —al,a. langdurig, slepend. Chronicle (kronik'1), s. jaarboek, kroniek; —s. (de) Kronieken ; —, v. a. in de jaarboeken opteekenen; — r, s. kroniekschrijverto ~ *»»»all beer, onbeduidende voorvallen opdisschen, kletsen.

Chroiiolog er (kranoladza), —Ist, s. tijdrekenkundige; -ic, -ical, a. —ically, ad. tijdrekenkundig; — y, 8. tijdrekenkunde, c Iiroiioiucter (lcranomata), s. tijdmeter. Chrysalis (krisalis), s. popje (van insecten). Chrysohte (krtsalait), b. chrysoliet.

Chub (tiob), b. rivierbaars, dikkop; — faced

a. dikwangig.

Chubby (tiubi), a. dikwangig, plomp.

Chuck (téok), s. geklok, tikje, stoot; niy-, myn liefje; — farthing, kuiltjesspel; —, v. a. lokken, streelen, stooten; smijten; to — up (slang), laten loopen (een meisje); zich overgeven; zich gewonnen geven; to —out, uitsmeten; a — er-out, een uitsmijter; —* v. n. klokken.

Cliuckle (tsok'l), v. a. lokken, liefkoozen;

v. n. schaterend lachen; inwendig lachen. Chutr (tinf), s. boer, lomperd; — —y, a

lomp, norsch.

Chiim (tëom), s. kamergenoot; to — up witli,

op vriendschappelUken voet geraken met. lliuiup (tnornp), s. zwaar stuk hout, bonk» homp.

Sluiten