Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

D1G.

— DIP.

ondermanen, (out) uitgraven, (tip) opdelven; (througli) doorgraven; —, v. n. graven,

delven.

Dige«t (datdzast), s. (de) pandecten ; wetboek.

Dige«t, (didzeni), v. a. verduwen, verteren, in orde schikken ; doen etteren ; v. n. etteren ; —er. s. verduwer, beschikker,verteermiddel, smeltkroes; —ible, a. verteerbaar; —ion. s. spijsvertering, regeling; ontbinding;—Ive. a. vertering of ettering bevorderend ; regelend, ontbindend; s. middel ter bevordering van de spijsvertering; —i%'e orgaus, spijsverteringsorganen.

Digg er (dtija), s. graver, delver; — ings, s. opgravingen, goudvelden, verblijf.

Dight (dait), v. a. uitdossen, tooien.

Digit dtdzat), s. drie vierden van een duim. een twaalfde van de middellijn van zon of maan ; getalmerk ; —al, a. de vingers betreffend ; —nli» (didzitet\h), vingerhoedskruid; —atetl, a. gevingerd; a nuiiiber of four —s, een eetal van 4 cijfers.

Digitigrnde (didéttigreid), teenganger (de tijger, de kat enz..)

Oigniflcatiou (dipnifiketi'v), s. verheffing,

Digul fietl (dignifaid), a. doorluchtig, hoogwaardig, deftig; —fy, v. a. verhoogen, verheffen; —tary. s. waardigheidsbekleder, kerkvoogd ; — ty, s. waardigheid.

Digraph s. (datgraf), tweeklank.

Digres» (digres), v. n. afwijken, uitweiden: —ion. s. uitweiding; —ive, a. —ively, ad uitweidend.

Dike (daik), s. gracht, greb, dam ; —, v. a. indijken.

Dilacerat e (dilasêareit), v. a. vaneenscheuren ; —ion, g. vaneenscheuring.

Dilapidat e (dilwpideit), v. a. omverhalen; verkwisten; v. n. vervallen; —ion (dil&pidets'n), s. vervalling,slooping, doorbrenging; —op, s. slooper, doorbrenger.

Dilat ability (dilatibtliti), s. uitzethaarheid; —able, a. uitzetlmar ; — ation (dilateté'n), s.^ uitzetting; —e, v. a. doen uitzetten, verwijden; v. n. uitzetten; uitweiden; —or, s. verwijder; — orine««, s. traagheid ; talmerigheid ; -orlly, ad —ory, a. traag; vadzig, talm er ig.

Dilectioo (ditekS'n), s. innige genegenheid.

Dilemme (dilema), s. klemrede, verlegenheid, dilemma.

Dilettante (dilefo-uti), s. dilettant, liefhebber.

Diligen ce (dtlidzans), s. vlijt, naarstigheid, reiswagen, diligence ; —t, a. — tly, ad. naar8t'g>. vlijtig.

Dill (dil), s. dille ; —, v. a. bedaren; lenigen.

Dilly-dally (dtli-da:li),v. n. talmen, treuzelen.

Diluent (dtlmant), a. verdunnend; —, s. verdunnend middel.

Dilut e (diljikt), a. dun, verdund, v. a. verdunnen, aanlengen; —er, s. verdunner, verdunnend middel; —ion (diljiké'n), s. verdunning, aanlenging.

Diluvi al (diljikvjal); —an, a. den zondvloed betreffend ; —um, s. diluvium.

Dim {dim), a,; — ly, ad. duister, schemerig;

—«ighted, slecht van gezicht; —, v. a. verduisteren, benevelen; — mish, a. duister* achtig, dof; -iimi, s. duisterheid, kortzichtigheid.

Dinie (daim), 8. een tiende dollar (Amerik.); —a, geld; a —mu«eum, een kwartjesmuseum; —uovel*. kwurtjesromans.

Dimen «ion (dimenü'v), s. afmeting, omvang, uitgebreidheid; —Mionleas, a. onmetelijk; —«Ity, s. uitgebreidheid, omvang; —sive, a. afmetend, de grenzen aanwijzend.

Dimidia te (dimtdjeit), v. a. halveeren; — tion, s. halveering.

Dimin ish (dimtnis), v. a. verminderen, verkleinen, v. n. verminderen,afnemen; —ution (dimivjité'n), s. vermindering.

Diniinutive (dimtnjutic), a.; — ly, ad. klein» gering, verkleind; —, s. verkleinwoord; — nes», s. geringheid.

Diuii** ion (dimts'n), «. ontslag, wegzending; —ory, a. ontslaand, naar een anderen rechter verwijzend.

Diniity (dtmiti), s. diemet; a —quilt, een dikke katoenen deken.

Dimpl e (dtmp'l), s. kuiltje (in de wangen); —e, v. a. kuiltjes doen krijgen, v. n. kuiltjes krijgen-, —ed. — y, a. met kuiltjes.

Din (din), s. geraas, gekletter; —, v. a. ver» dooven, doen daveren.

Dinarcliy (dtndki), 8. tweehoofdige regeering.

Dine, (daiii), v. a. een middagmaal geven aan, y. n. het middagmaal gebruiken; a—r-ont, iemand die buitenshuis eet; to — oH' the Joint, niet koud vleesch eten-, to — with Duke Humphrey, geen (warm) maal krijgen.

Ding (dii\), a. zeer, uitermate; —hot, smoorheet.

Ding (dir\), v. a. tegen elkander slaan, kletsen, met. geweld indrukken, v. n. razen, tieren; —«long, s. k'lokgebom.

Dingiuess (dtndzina#), 8. donkerheid, morsigheid.

Dingle (dtt^g'l), s. dal, vallei; —dangle, a. slingerend, wapperend, s. klokgelui.

Dingy (dtndzi), a. duister, morsig.

Dining (datnin,), s. (het) middagmalen; —ear, restauratiewagen (in een spoortrein); — room, eetzaal; —wet, tafelservies.

Dinner (dtn>), s. middagmaal; —party, middagmaal (met gasten); —time, etenstijd.

Dint (diiit), s. slag, deuk, kracht, geweld; by

— of, door veel . . . — ol* arms, kracht (geweld) van wapenen.^

Diiiumeratioii (dinjiimareti'n), 8. opsomming.

Diocen an (daioxisan), a. van een bisdom, s. bisschop; —e (datasis), s. bisdom, diocese, kerspel.

Dioptric (daioptrik); —al. a. de straalbreking betreffend, tot het verzien dienend;—s» 8. leer der straalbreking.

Dip (dip), s. indooping, inzakking; — of the needie. afwijking (helling) der kompasnaald;

— of the horizon, kimduiking; —chick, waterhoen; — •, s. smeer (vet) kaarsen.

Sluiten