Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

FRK. — PRO.

verkeeren met; — ation, a. (het) gedurig bezoeken, druk verkeer; -atire.a. herhalend, s. werUwoord van herhaling; —ed, a. veel bezocht; —er. s. gedurig bezoeker, habitué.

Fresco (freskÓ), s. schildering op natte kalk, fresco-schildering; (—e«l ceilings, wnlN).

Fresh (frei), a. — ly, ad. versch, frisch, nieuw, onvermoeid; It is «till — in my mimi, het staat my nog levendig voor den veest; as — au a daisy (a« — as paintj, zoo frisch nis een noot; —blow», bloeiend, pas ontloken; —man. nieuweling, groen; —man•hip, s. nieuwelingschap; —new. nieuwbakken. onervaren; —«liot, stroom zoet water (in zee); —water, s. zoet water; —, a. onervaren.

Fresh (frei), s. zoet water; —, —en, v. a. verfrisschen, v. n. frisch worden;—es. —et, s. bovenwater, rlvierzwelling; —ness, s. frischheid, verschheid.

Fret {fret), s. giftin?, ergering, greep, tralie, rijzend werk. zeeèngte, buikkramp; to put into a —, boos maken; —*aw, figuurzaag; —work, metselwerk met verhevenheden; v. n. in gisting zijn, wegvreten, zich ergeren, kniezen; to — for anger. toornig zijn; — ful, a. —fully, ad. gemelijk; —fulness, s. gemelijkheid; —ter. s. kniezer; —ty, a. met verheven werk versierd.

I'riahility (fraiabiliti), b. brosheid.

Friable (fratob'l), a. vergruisbaar; —ness, s. vergruisbaarheid, brokkelykheid.

Frlar, (frats), s. monnik, slecht afgedrukt proefblad; white —, Carmeliet; gray —, Franciscaan; black —, Dominicaan; —'scowl, monnikskap; —'s-lantern, dwaallicht; —y, a. monnikachtig, s. monnikenklooster.

Frlbhle ( frtb'l), a. nietig, beuzelachtig ; —r, s. beuzelaar, zot; —, v. n. beuzelen.

Fricassee (frikati), s. gekruid vleesch; —, v. a. een — maken.

Frlction (frilcë'n), s. wrijving.

Friday, (Fratdi), s. Vrijdag; Good —, Goede Vrijdag.

Friend (frend), s. vriend, vriendin, kwaker; The Society of—s. het Kwakergenootschap; to make —s with, vriendschap sluiten met; a — in need is a — indeed, in den nood leert men zijn vrienden kennen; a — at conrt in hetter tlian a penny in the purse. een invloedrijk vriend is veel waard; —, v. a. begunstigen; —leun, a. verlaten; —liness, s. vriendelijkheid; —ly. a. & ad. welwillend, vriendelijk; the —ly Islands, de Vriendschapseilanden (Australië); —ly society, maatschappij voor onderling hulpbetoon ; a —ly power, een bevriende mogendheid; in a —ly way, in der minne; I have been 011 —ly ternis witli liiui, ik heb op vriendschappeiyken voet met hem gestaan; — sliip, s. vriendschap.

Frieze (f-iz), s. duffel, nop, fries; — d, a. genoopt; —like, a. friesachtig.

Frigat e (frtijatj, s. fregat; — oon, klein fregat.

Frigefnction (fridSefttkS'n), s. koudmaking.

Friglat {fruit), n. schrik; lie look* like a

—, hty ziet er uit als een monster; —en, v. a. verschrikken; (awayi door bang maken verjagen ; to —en out of onr'N wits. hevig docu ontstellen; to —en a man to tleatli,

iemand doodelijk verschrikt maken ; —ful. a. —fully, ad. vreeselük; —fulness, s vreeselük beid, verschrikking.

Fi-igid (frtdzid), a. — ly, ad. kond, kil; tlie — zone. de koude luchtsreek ; —ity, —ness. s. koudheid, koelheid.

Frigoriflc (frigarijlk), a. koude verwekkend.

Frill (fril), s. hom (jabot); —, v. n. rillen (van koude).

Fring e (Jrivdz), s. franje; Hiewgate —, haard om de keel; —e, v. a. niet franje zoomen; —y, a. met franje omzoomd.

Fripper (.frtp•»), s. oude-klecrenkooper, uitdrager •. —y, a. voddig, gering, s. oude-kleèrenmarkt, uitdragerij, oude kleêren.

I'risk (frisk), s. dartelheid, vroolyke bui;—, v. n. huppelen ; —er, s. wildzang, guit; —et, s. tympan; —ful, —y, a. uitgelaten, dartel; —iiicss, vroolykheid, dartelheid.

Fri*t (frist), v. a. verkoopen op tijd ofcrediet, prolongeeren

Frit (./rit), s. glasspijs, specie.

Fritla (fritft), s. zeeëngte, vischweer, houtrijke plaats.

Fritillary (frttahri), s. keizerskroon (bloem).

Fritter (frtta), s. reepje, brokje, pannekoek; —, v. a. brokkelen, verbeuzelen (tijd, t?eld;.

Frivolity (frivoliti), s. beuzelachtigheid.

Frivolous (frtvalat), a.; —ly, ad. beuzelachtig; —aaess. s. beuzelachtigheid.

Frizzl e (friz'l), s. haarkrul; —, v. a. krullen (het haar); a — ing-iron. een krul(jzer ; —er. s. kapper.

Fro (.trou), ad.; to and —, heen en weêr.

F rock (frok), s. rok, kiel, jurk.

Frog (frofr), s. kikvorsch, lis, straal (in den paardenhoef); —bit, vorschbeet (plant); — fish. zeekikvorsch; —ged, a. met lissen gegarneerd.

Frolic (frolik), a. dartel; —, s. dartele kuur, pret; —, v. n. pret hebben, grappen maken; —«ome, a. —somely, ad. dartel; —some■ie<*«, s. dartelheid, uitgelatenheid.

From (Jrom), prp. van, uit; —the llfe.naar het leven; — nature, naar de natuur; to sift grain — chaft', het koren van het kaf scheiden ; Juriging —. te oordeelen naar; — early morniiig till late at night, van den vroegen morgen tot 's avonds laat; to be proteeted — cold, rain, beschut zijn tegen koude, retren; — a child, van kindsbeen af; — mider a table, van onder een tafel; — aiaiong those people, van onder die menschen.

Froiad (frond), s. groene tak ; —ation (frandetii'n), s. snoeiing; —iferous(f randtfar at), —ons. a. bladrijk.

Front (front), s. voorhoofd, front, voorzijde; to chauge —, van front veranderen, een anderen toon aanslaan ; to attach in —, in 't front aanvallen; to rome to the —, op

Sluiten