Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GLA. -

GLO.

Claci «I {ffleii'l), a. bevrozen; —«te. v. n. bevriezen ; —«tioi» (gteiieti'n),*. bevriezing; —er {glet$9), b. gletscher; -om, a. ijsachtig.

Claci» [qletsiz), h. glacis, hellend vink.

Glad [ffleed), a. blijde. verheugd (of); —, — den v. a. verblijden; — tier, s. verheuger; —ly. ad. met genoegen, gaarne; —nett«. s. blijdschap; —«ome, a. verheugd; — some* neus, 8. blijdschap.

Glade (ffleid), s. open plaats in een bosch, houtweg.

«la den {ffleid?n), —der, ■. zwaardgras, kalmus.

Gladia te {gltrrijcit), a. zwaardvormig; —tor, s. zwaardvechter.

Glair [fflê*), s. eiwit, hellebaard; —, v. a. met eiwit bestrijken.

C.lanc e {glans), b. flikkering, glans, oogopslag, blik, zinspeling; at a —, met één oogopslag: to coat a — on ~= to — at. een blik werpen op; to —e, v. a. snel (zijdelings) werpen, v. n. flikkeren, lonken; (at) een' vluchtigen blik werpen, toelonken; (over) vluchtig overzien; (upoii) van ter zijde aanroeren, afschampen, zinspelen (doelen) op; — ingly. ad. ter loops, vluchtig.

C.land {fflatvd), s. klier; —er», s. droes; —Iforut, a. kliervormig; —nlar '.gltrndjute); —ulouil. a. klierachtig; —ule, s. kliertje.

dar e (ü<c.*), s. verblindend licht, vlammende blik; —e, v. a. uitstralen, v. n. verblindend schitteren, blaken; (at, upnn) woest aanstaren ; —ing- a. verblindend, in het oog loopend; — ingly, ad. openlijk, schreeuwend.

filareouü {glearjuy), a. kleverig, taai.

Gla«» {glas), a. glazen; —, s. glas, kijker, spiegel, zand?ooper; t«» have taken a — too ninch, dronken z|jn; elieval—, psyché (groote toiletspiegel); tut (poli«lied) —, geslepen glas; plain —, gewoon glas; ground (ob»cured) —. matplas ; pin te—, spiegelglas; broad (frowii)—.vensterglas; (lint—, glaskristal, lluitelas; liiw — is run, zijn einde is nabij; —blower, glasblazer; —furnace. glasHazorsoven; — gazing. a. Ijdel, ingebeeld; — grlnder, glassliiper; — house, glasblazerij; tlin»e wlio live In —hon»e» aliould uot throw »t»ne», zij, die in glazen huizen wonen, moeten niet met steenen gooien; —man. plashandelaar; — metal. glnssp\js; — paper, schuurpapier; —pearl» (bead»), glaskoralen ; —shade, stolp, glazen lampekap; —ware, glaswerk; -work, glasfabriek; opera—.tooneelkyker; hurning—. brandglas; inagnilying—,vergrootglas; weatlier—, weerglas (barometer); —, v. a. in glas zetten, verglazen; —iitess, s. glasaclitikheid; —like, —y, a. glasachtig, doorschijnend, bros.

Glauber'e-ealt (ijlobstólt), b. glauberzout. Olaucoma (glókoum9), b. grauwe staar. <>laucoun {ulöka*), a. zeegroen.

Glas e (gleiz), s. verglaassel, plazuur; lendIe»» —, loodvrij glazuur; —e, v. a. van glas voorzien, verglazen, polijsten; —ed boardpaper, geglaceerd karton; —ed laat, glim-

hoed; —ed pot, verglaasde pot; —e-fro»t, yzel; —Ier, s. ghazenmaker; —Ing, s. verglazing, verglaassel.

Gleam (glim), s. flikkerlicht, lichtschemering; the elear — of water, de spiegeling van het water; a — of liope. een straal van hoop; —, v. n. flikkeren, gloren; —y, a. flikkerend, stralend.

Glean (gltn), s. (het) naarstig byeengelezene; —, v. a. & n. nalezen, bijeenzamelen; —er, s. nu lezer; bijeenzamelaar; —Ing, s. nalezing, naoogst.

Gleb e (ffltb), s. grondstuk, grasland, aardklomp; —e, — e-land, j astorieland; —ou», —y, a. aardachtig.

f*le«le (glid), s. wouw. kiekendief.

Glee {gli), s. vrooiykheid; in high —, zeer opgeruimd; — fnl. — »«»me, a. vroolyk, jolig; —man. minstreel, zanger.

Glren {(7lin), v. n. gloeien, glinsteren.

Gleet {glit), s. dunne etter; —, v. xi. etteren, droppelen; —y. a. druipend, etterig.

Glen (glen), s. dal, bergpas.

Glene {{jlin), s. oogappel, beenholte.

Glib {glib), a. —ly, ad. glad, glibberig, rad; a — noose, een losse knoop; a — tongue, een radde tong; —, 8. groote haarbos (over de oogen hangend); —, v. a. glad (rad) maken, lubben; —neus, s. glibberigheid.

Glide {glaid), s. glijdin*. verloop; —, v. n. iriijden, sluipen; —r, s. glijder, strik.

Glimmer {glim»), s. schemerlicht, glimmer (delfstof); —, v. n. schemeren; —ing, s. sehemering, schijn.

Glimpse {glimp*), s. straal, kort schijnsel, vluchtig gezicht, teeken. zweem ; no — of hope, delight, llberty, geen straaltje (geen spoor)... enz.; —, v. n. zich even ver» toonen.

Gllat, {glist), s. Moscovisch glas, mica.

GlUten (gltSn), v. n. fonkeleu (with).

GlUter {ij/int9), s. glinstering, glans; —, v.n. glinsteren, fonkelen (with).

Glitter {glit9), s. glans, luister, klatergoud; —, v. n. blinken, glinsteren; all that —» i» not gold, het is niet alles goud, wat er blinkt.

Gloar (alÓ9), v. n. gluren, scheel zien.

(>loat Iglout), v. n. met groote oogen staren (iipon); begeerig zien naar.

Glnbate, (gloubtt), —d [gloubatid), a. bolvormig.

Globe, (gloub), s. hol, aardbol, »?lobe ; cele»tial —, hemelglobe; terreatrial —. aardglobe; —animal. kogeldiertje ; —fi»h, kogelvisch : —llower. bolranonkel, knolbloem; —thiotle, kogeldistel; —trotter, iemand, die altyd op reis is;—,v. a. tot een' bol (in een kring) verzamelen.

Glob o»e {glóbow), a. bolvormig; — o»lty. s. bolvormigheid.

Glohul ar {globjuh), a. bolvormig; —ar

trigonometry,bolvormige driehoeksmeting; —e 1glob)9l), h. bolletje; — oh», a. bolvormig.

Glome {gfoum), s. rondachtige bloemtop.

1 (>loiiier ate (glonwreit); —ou», a. tot een'

Sluiten