Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GUI). — GUT.

Gudgeou (gmlz'n), s. grondel, lokaas, spil, sul; —, v. a. bedriegen.

Guelder rose (gelda-rouz), s. sneeuwbal (plantk.).

Giierdon (gAd'n), s. belooning.

Gue*s (ges), b. gissing-; to give a — nt, raden naar; at a rough —, zoo ongeveer; —, v. a. & n. gissen, radon (at); —er, s. gisser; —ingly, ad. op de gis.

OiieNt (gest), s. gast, dief (aan de kaars); — chauiber, eetzaal; —rite, gastrecht; — rup«>, b-ipu-seertouw.

(•nli'nw (gofó), s. luid-, schaterend gelach.

Guggie (f7ng'l), v. n. klokken.

Guidal»Ie (gatdab'l), a. volgzaam: —age. s. tri'lsloon ; —aure, s. leiding, bestuur.

Guide (gaid), s. gids, leidsman, bestuurder; —Iiook. reisgids ; —post. webwijzer; —lem», a. zonder gids; —, v. a. leiden, geleiden, besturen; —r, s. leider, bestuurder.

Guil«l [gild), s. gilde; —hall. gildekamer, raadhuis; —able, a. belastbaar; —er, s. gulden.

Gulle (gail), b. arglist, bedrog, valschheid; —ful, a. — fully, ad. arglistig, bedrieglijk, valsch ; —fulness, s. bedrieglijkheid ; — Ie»*, a. argloos, zonder bedrog; —lessness, s. oprechtheid.

Giiillemot (gtlamot), s. waterhoen.

Guillotine (gilgtin), s. guillotine, valbijl; —, v. a. onthoofden (mePde guillotine).

Guilt [gilt), s. schuld, misdaad; —iness, s. schuldigheid; — le«». a. — leswly, ad. schuldeloos-, — lessne»s, s. schuldeloosheid; —y, a» — ily. ad. schuldig, misdadig; to be —y of bui glary, schuldig zyn aan inbraak.

Guimp (gimj)), s. zyden kant; —, v. a. met zijde doorweven.

Guinea (gtni), s. gulnje (=ƒ 12.A0); —rock, parelhaan; —corn, gierst; —dropper, valsche speler; — fowl, parelhoen; —grain, paradijskoren; —hen, parelhen; —pepper. Spaansche peper; — pig, Braziliaansche rat (soort van marmot), kadet (op Oost-Indiëvaarders); — wlieat, Tursche tarwe, maïs.

Gulse (gaiz), b. wijze, manier, voorkomen, kleediug; —r, s. vermomde.

Guitar (gitd), s. gitaar.

Giilch, (gnfé), —In, s. gulzigaard.

Gulen [tjjülz), a. rood (in 't wapenschild).

Gulf (golf) s. zeeboezem, golf, draaikolk, afgrond ; between them there was a great — fixed <«f. S. I.ukc XVI, «O), tusschen hen kwam het tot een volledige breuk;—y, a. vol zeeboezems, vol draaikolken.

Gull (gol), s. zeemeeuw, streek, bedrog, onnoozele hals; —catcher, bedrieger; —, v. a. bedriegen, beet nemen; —er, s. bedrieger; —ery, s. bedrog, verschalking.

Gullet (galet), m. keel, slokdarm, hals (eener flesch).

«-"•i hillty (aolibtliti), s. lichtgeloovigheid; —ble, a. lichtgeloovig.

Gullish (gnlii), a. onnoozel, dom; —nes», s. onnoozelheid, domheid.

Gully (gnli), s. geul, goot, riool; —hole.

goot-, rioolgat; —. v. a. geulen maken,wegspoelen, v. n. ruischend vlieten.

Guloslty (gjuloriti), s. gulzigheid.

Gulp (golp), s. slok; —, v. a. inzwelgen, in-

slokken, v. n. kloppen (van het hart). Gum [gom), n. gom, tandvleesch, dracht (van de ooi;en); —Arabic, Arabische gom; — elastic, gomelastiek; — boil. gezwel aan het tandvleesch; —lac, gomlak; — resin, gomhars; —, v. a. gommen; —mine**, — inosity, s. gommigheid, kleverigheid 1 — mous.—uiy.a. gomachtig, kleverig:,drachtig. Gmiip (gomp), s. onnoozele bloed. zot. €>umptioii (gnmpi'n), s. verstand, kennis. Gnn (gnv), s. geweer, kanon, stuk geschut; to stand to one's —s, dapper stand houden, to spike a —, een kanon vernagelen; a» «ure as a —, zoo zeker 2 X 2 =■ 4 ; lie i* amnng the big (great) —s, hy is een van de groote „oomes"; it blew grent —s, er woei een hevige storm; — bont, kanonneerboot; —cottou, schietkatoen; —deck, geschutdek ; —evrning-wntch, nachtschot;

flint, vuursteen; —genr. geschutgyu; — Indle, laad lepel; —mrtal. stukgoed (geschutmetaalj; —mornliig-wntch.dagschot; —port,geschutpoort; -powder,». buskruit, a. Joosjes (thee); —rack, geweerrek ;—ro<l, laadstok; —room. konstabels-, kruitkamer, —shot, schot, dracht van een schot; —side-

tnckle, zijtalie; —sling. geschutleng;

suiitli, geweermaker; —stick, laadstok; — Ntoi'k, lade; —stone, steenen kogel; — «trnppling. geschutstrop ; —swlvel, steenmortier; — tackle, geschuttalie ; —tncklepurchase.benoodigdheden voor het geschut; —train-tackle, inhaal talie;—vessel, kanonneersloep; —vice, htaartschroet'; —walt*, potdeksel, dolboord.

Gun (gvn), v. n. schieten; —nel. s. dotboord, potdeksel; —ner, s. kanonnier, konstabel; —nery, s. geschutkunst, artillerie.

Gurge (gvdé), s. draaikolk; —, v.a. verzwelgen, inslokken.

Gurgle (góg'l), v. n. klokken (als uit eene flesch).

Gurn ard, (günsd)\ —et, s. zee-, knorhaan.

Gush (goi), s. uitstorting, straal; —, v. a. (out, lip) uitstorten; —, v. n. uitstrooiden, gutsen.

GuAset (gosat), s. geer, okselstuk.

Gunt igost), s. smaak, vlaag, rukwind ; —able. ful, n, smakelijk; —ation (gasteis'n), s. proev:ng; —atory, a. den smaak betreffend; —fulness, s. smakelijkheid ; —less, a. smakeloos; —y, a. stormachtig, buiig.

Gusto (gnstó), s. smaak.

Gut (gnt), s. darm, Ingewand, zeestraat; — scraper, vioolkra«ser; —spinner, danusnarentnaker ; — string. darmsnaar; —tidc. slemptyd; —wort, wervelkruid ; —, v. a. ontweien, berooven; to have — s In the brain, gezond verstand hebben.

Gutta (gnta), b. droppel; —pcrcha, gottapercha; —«erena, zwarte staar.

Guttnted igutatid), a. bedroppeld.

11

Sluiten