Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

trekken, in zich sluiten; —tion (impHketi'n), 8. In-, verwikkeling, stilzwijgend gevolg; —tlve, a. stilzwijgend af te leiden ; — tively, ad. bij gevolgtrekking.

luiplicit (impltsit), a. —ly, ad. daaronder begrepen, onvoorwaardelijk; —fnlth, blind (onverwaardelijk) geloof; — credulity.blinde lichtgeloovigheid ; —credit, blind vertrouwen ; —ness, «. stilzwijgend gevolg.

Implied {implatd), door stilzwijgende gevolgtrekking ; —contract, promise, stilzwygende verbintenis, belofte.

Implore (impló»), v.a. smeeken, afsmeeken ; —r, s, bidder, smeeker.

Iniply (implat), v. a. in zich sluiten, behelzen.

Intpoli cy (impolisi), s. onstaafkundigheid, onvoorzichtigheid; —te a. —tely, ad (imp»1ait), onwellevend, onbeleefd ; — teuess, s. onwellevendheid, onbeleefdheid; —tic (impohtih), a. onstaatkundig, onvoorzichtig.

Iiiiponder able (impotularab'l), a. onweegbaar; —ons, a. onwichtig, licht,

Impor osity (imporositi), s. dichtheid; — I ons (impór9t), a. dicht, zonder poriën.

Import (Impóat), s. belang, gewicht, strekking, 1 invoer, invoer artikel.

Import v. a. in zich sluiten, met

zich brengen, beduiden, van belang zijn; invoeren; —nble, a. invoerbaar; —mier, (impóvtgns), s. belangrijkheid, gewicht; —ant. a. — antly, ad, impö»tent)„ belangrijk, gewichtig; —ation (impóateti'n), s. invoer; —er, s. invoerder.

■inportuii Ity (impóïtjikniti), s. lastigheid, dringendheid; —ate, a. —ately, ad. lastig, dringend ; —e, (impÓ9tjü?i), v. a. lastig vallen, dringen.

Impos able (impouz'bl). a. op te leggen(on); —e, v. a. opleggen; (on upon) misleiden, bedriegen; —er. s. oplegger, bedrieger; — iiiff, indrukwekkend, statig; — ition, (impizii'n), s. oplegging, belasting, bedrog, strafwerk (voor schoolkinderen).

Imposs ibility (imporibiliti), s. onmogelijkheid; tliere's no doinjg — iliilities, men ' kan geen ijzer met handen breken ; — Ible, I (imposib'l), a. onmogelijk (for. to), it was j —ible for you to do It, het was u onmogelijk het te doen.

Impost limpoutt), s. belasting, impost.

Impostliiim ate (impost jumeit), v. n. zich tot een absces vormen, zweren (van een wond), etteren; —ation (impostjumeti'n), s. zwering, ettering; —e, s. zweer, etter: v. n. zweren.

Impost or (impost9), s. bedrieger; —ure {impostjs), s. bedrog.

Impoten ce (tmpatevs), —cy, s. onvermogen, zwakheid; —t, a. —•!>"* ad. onvermogend, zwak.

I ui poii nd (impaund), v. a. schutten, opsluiten.

Impoverinli, (impovarié), v. a. verarmen; — ment, s. verarming.

Impractica ble, (impmktikab'l), a. ondoenlijk, onuitvoerbaar, oupractisch; —bility.

IMP. — IMP.

I (iiJPfaWpfotl/irt), —bleness, s. ondoenlijk* neid, onuitvoerbaarheid.

Imprrca te Umprakeit). y. a. verwenschen, vervloeken; to —vengeance on, wraak

roepen over; —tion [imprgheté'n), s. verwensching, vervloeking; —tory, a. verwenschend.

Impregiia ble (imprepnat/l), a.; —bly, ad. onneembaar,onwrikbaar; —te, a. bezwangerd, verzadigd ; —te, v. a. bezwangeren, doortrekken, verzadigen; —tion (imprejjieti'n), s. bezwangering, verzadiging. Impreacriptible (impr HhriptiV l), a. onver-

jaarbaar, van zelf sprekend.

Impreas (tmpr9t),a. indruksel, merk, zinspreuk, pressing.

Impreas (impres), v. a. indrukken, inprenten(ou) doordi ngen; (wlth) merken, pressen; •° ~7 witb a lignre, munt slaan met

een beeltenis er op;to — on tlie miud. op

het gemoed (hard )drukken;to — fnvourably,

een gunstigen indruk maken; —ibility, s. vatbaarheid voor indrukken; —ible, a. vatbaar voor indrukken; —ion (imprei'n), s. indrukking, werking, indruk, afdruk, druk oplage; —ive, a. -ively.ad. indrukmakend, treilend ; — iveness, s. (het) indrukmakende, treffende; —ment, s. pressing; —ure (impreëa), s. indruksel, merk.

Im prest (tmprast), s. handgeld, voorschot, ■mpreyalttiice (impreviltiu), s. onvermogen

om zijn overwicht te handhaven.

Imprint (imprint), s. opgaaf van drukplaats, drukker, .jaartal, enz. (van een boek); he reads the perlodical f'rom title to —, hij leest het tijdschrift van 't begin tot het en.de; — (imprint), v. a. drukken, inprenten (on, upon).

Imprlson, (impriz'n), v. a. gevangenzetten. Kerkeren; —ment, s. gevangenneming, gevangenschap; false —ment. onwettige gevangenneming; —ment lor debt, gijzeling, lijfsdwang; dnress of —ment, (rechtst.) eenzame opsluiting.

Improb able (improbgb'l), a.; —«bly, ad. onwaarschijnlijk; —ability (improbabtliti), «.onwaarschijnlijkheid;—Ity, s. oneerlijkheid.

Improper (improp9), a.; -ly, ad. oneigen-

lyk, ongepast, onjuist,ongeschikt,onbekwaam.

Improuria te (improuprieit), v. a. aan wereldlijke personen overdragen; —tion. s. overdracht aan wereldlijke personen, secularisatie.

Impropriety (imprapratati), s. oneigenlijkheid, ongepastheid, onjuistheid.

Improv able (imprAv'bl), a. vatbaar voor verbetering; — ableness, s. vatbaarheid voor verbetering; —e, v. a. verbeteren, doen vorderen, zich ten nutte maken, v. n. beter worden, vorderen; (In) vooruitgaan; (on) \erbeteren; she —ed on hint, zij bekoorde hem meer en meer; to — e on aequaintance, bij kennismaking meevallen ; to — e an opportunity.vau eene gelegenheid gebruik maken; he has —ed in his looks, hij ziet er beter uit; — emeut. s. verbetering, voor-

Sluiten