Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

INS. - INS.

Inaeiiftntr (iweiuit), a. zinneloos, stomp. JuweiiNi ble (iusensib'l), a. —bly. ad. ongevoelig, gevoelloos (of. to); — bility. — ble■ie»», s. ongevoeligheid, gevoelloosheid. Insentient (inteni'nt), a. gevoelloos, zonder

begrip of bevatting, finsepnrn ble (iiiseparab'l), a. —bly, ad. onscheidbaar; —bility, —bleness, s.onscheidbaarheid.

Insert (in*At), v. a. inplaatsen, inla*schen, — ion. {utKüa'n), s. invoeging, inlaasching, iuvoegsel.

Insbeatlie (iwtfith), in de soheede steken. Jnsbore (iniós), aan, naby de kust.

Inside (insai.i), a. inwendig, hinuen; — .s.binnen/.yde; ou tlie —, aan den binnenkant; to turn — out, alles onderste hoven keeren; it was — outwards. 't was binnenste buiten gekeerd; we Jourtieyed — (tlie stageomnibus), wy reisden binnen in (de diligence, omnibus); nu — passenger een binneu-passagier. litsidi nte (inridieit), v. a. belagen, beloeren—«tor, s. belager; —ons, a. -ou«lv, ad.' arglistig, belagend; -ousiicm, s. arglist:'*heid, verraderlijkheid.

Insiglit (tnsait), s. inzicht (to get — into). liisignla {inxignis), pl. eere-, onderscheidingsteekenen.

Inalgniflcan ce {imigutykan»), —cy, s. onbeduidendheid; —t,a.— tly, ad.onbeduidend. , nietig. '

Inslncer e (insinrt»), a. — ely, ad. onoprecht-

—«ty (infiiueriti), s. onoprechtheid.

InslnuN nt (in*inju9nt), a. indringend; —te, v, a. in-, opdringen, ingang verschaften (into); te verstaan geven, v. n. zich indringen, een1' wenk geven ; —tiou (itiainjueii'ji), s.indringing, overreding, wenk ; — tive,a.indrin-ei,d overhalend. '

Inslpld (insipid), a. —ly, ad. smakeloos, laf• —»*»•» »• smakeloosheid.'

lafheid.

Inalpienee (imlpunf), s. verstandeloosheid. Jnsist (mstst), v. n. aanhouden, aandringen staan op (ou, uponj; —ent, a. op iets' rustend.

Insnare. Umvi»), v. a, zie F. are.

■ uaobriety [insohratati), ». onmatiuheid. Insoclable \intoui»b'l). a. ongezellig Inaolen ce {(molmt). s. onbeschaamdheid onbeschoftheid; —t,a. — tly.ad. onbeschaamd onbeschoft, aanmatigend.

Insolidity. (hwoltditi), s. onvastheid. *"•«!«' »»le (iwotjub'l), a. onoplosbaar; — bility, (tnsoljubititi), s. onoplosbaarheid. k? H'b'e (insolvab'l), a. onoplosbaar, onbetaalbaar ; —ency s. onvermogen tot betaling ; —ent, a. onvermogend om te betalen—ent debtors'act = -ency law = act or ~*»*y, wet tegen insolvente betalers—ent estate, insolvente nalatenschap. ' lusoninioiis, (iwomnitt), a. slapeloos-, iu-

soninla, s, slapeloosheid.

Insoniuch (insomuts), conj. in zooverre,z.oodat inspan {inspan), aanspannen (Zuid-Afrika).

j Inspect (inspekt), v. a. in oogcn«chouw nemen, onderzoeken, nagaan ; —Ion. s. bezichtiging onderzoek ; upoit -ion. (kpt.) bij onderzoek;' to nudergo an —ion «= to be -ed, een onderzoek ondergaan; —or, h. opzichter inspecteur; —orslilp. s. opzichterschap. ' Insperslon (impüi'n), s. besprenkeling. Insplr altle (itutpairjb'l). a. inadembaar- — «tlon (inspireisn), g. inblazing, ingeving, bezieling ; —e v. a. inblazen, ingeven, inboezemen (into, with), v. u. inademen- — er, s. ingever.

''dlgen" (-in*ptrit)' y' a* beilelen. verleven-

In spiswa te (inspiseit), n. verdikt, gestremd ; ® y.- a-. verdikken, doen stremmen; — tiou [nifpveté'nU b. verdikking.

Insta l»l«» (iiisteib'l), a. onbestendig;—bilitv

(luetabiliti), s. on bestend ikheid, mstalf I) (iwtót). v. a. bevestigen, installeeren-lation (invtjlels'n), s. bevestiging, installatie ; —inent, s. bevestiging, installatie, termyn, storting ; payable by —nieuts. bii termunen atlosbaar; tlie book will be publisned iu — ■nentsron tlie —ment plan , liet boek zal iu afleveringen uitgegeven worden.

Instance (instavs), s. dringend verzoek, aandrang, instantie, aanleg, gelegenheid, omstandigheid, voorbeeld ; — » of insubordiKeVii,,en ^'Üken) van verzet; in »ne lirst —, in het eerste geval; lor —, bij voorbeeld; —, v. a. als een voorbeeld aanhalen; v. n. voorbeelden by brengen, instant (instant), a. dringend, tegenwoordig, onniiddcllyk, —, s. oogenblik, loopende maand; at tliat —, op dat oogenblik; upou the —, onmiddeliyk ; on tlie ?tli inst, den /den dezer; —ly, ad op staanden voet. i instantane ons (instant einias), a. —ouslv ad oogenbükkelijk, onmiddeliyk ; —ous pliotograpliy, nioiiientopname ; — Ity (inheid —OM,l,eM' 8- oogenblikkeiyk-

Instate (instett), v. a. plaatsen, stellen. Iiistaui-a te (ivutórit). v. a. herstellen, vernieuwen ; —tiou (instóreis'n), s. herstellinif vernieuwing; —tor (instörvttz), s. hersteller, vernieuwer, lustend (instecl), ad. (of) in plaats van. lustep (instap), s. wreef; to be high in tlie —, eene hooge borst zetten, verwaand zUn. Instiga te (i)ustifjeit), v. a. aansporen, ophitsen (to); —tiou (hwtigeii'n), s. aansporing, ophitsing; —tor, s. aanspoorder, ophitser, lnstil (insttl), v. a. indroppelen, inboezemen, inprenten (into) ; to — poison into younc people s niiuds, het gemoed van jongelieden vergiftigen ; to -love of eouutrv, vaderlandsliefde aankweeken; —lation, [instilets'n), s. indroppeling, inboezeming, inprenting.

Instinct (instinkt), s. instinct, natuurdrift-ive, a. -Ively, ad. (insttyhtiv), onwillekeurig, uit natuurdrift, lustltut e (hulijüt), s. instelling, wet, voor-

Sluiten