Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JAC. - JES.

towel. grove handdoek op de rol; -a-dandy, fafc, kwast; —a-lantern, dwaallichtje; —aleut, inikpop, stumpert; —nn-apes, parvenu, fat, kwast; —of all-tradea, Jantje van alles; —In a box, duiveltje-in-een-doosje, springpop; —at-a-pinc-li, noodhulp, brooddief; cheap— (— iu office), waanwys, onbeschoft ambtenaartje; to play tlie — with any one, iemand voor 't lapje houden; the Union —, de Engelsche vlag.

•Vackal (dzjr/c'l) s. jakhals.

Jacket (dzcrkat), s. buis, wambuis; to dust a inau's —, (flg.) iemand een tlink pak ransel geven.

Jacob (dzetkab), s.; —'a-sta IT, pelgrimsstaf, degenstok, graadboog; —Imlder, touwladder niet houten sporten.

Jacobin (dzalcabin), s. Jacobijner monnik, Jacobyn, kappertje (duif); —, —ie, a. Jacobtynsch; — Uua, s, leer (stelsel) der Jacobtynen.

Jacobite [dzarksbait), s. Jacobiet (aanhanger van Jacobus II).

Jaconet [dztrksndt), s, (soort van) neteldoek.

Jacula te ((iztrkjuleif), v. a. werpen, schieten; —tlon (dzcBkjuleis'n), s. (het) werpen ot schieten ; —tory, a. werpend, slingerend, — tory prayer, schietgebed.

Jad e (dzetd), s. knol (paard), slet, niersteen; —e, v. a. afjakkeren, afmatten, v. n. moedeloos worden; —ery, s. slechte streken, onkuischheid; — ish. a. slecht, onkuisch.

•lag (dzceg), s. tand, keep; —, v. a. uittanden, inkepen; —gedoe**, s. getandheid; —gy, a. gekarteld, getand.

Jaguar (dzwowd), s. Amerikaansche panter.

Jail (dzeil), s. gevangenis; —bird, tuchthuisboef; — fever, gevangeniskoorts; —, v. a. kerkeren; —er, s. cipier.

Jakea (dzeiks), s. sekreet.

Jalap (dzmlap), s. jalap (plant).

Jam (dz<Btn), s. conserf, steenlaag, kinderjurkje; —, v. a. klemmen, persen; the ice ia —niing, het ys kruit.

Jamb idz<Bm), s. post, styl (van deur enz.),

Jaugle (dztrn,o'l). s. gekibbel, gekrijsch; —, v. a. valsch doen klinken; v. n. kibbelen. krUschen;^—r, s. kibbelaar.

Janitor idznnitd), s. deurwaarder, portier.

Janizary (déa>niz9ri), s. .Tanitsaar.

January idztrnjvzri), s. Januari, Louwmaand.

Japan (dzeparn), a. verlakt; —, s. lakwerk ; —, v. a. verlakken, poetsen; — ner, s. verlakker, (schoen-) poetser.

Jape (dzeip), v. a. foppen, bedotten; v. n. schertsen, kortswijlen ; a—, een grap.

Jar (d£d), s. geklaag, geknars, getik, flesch, kruik, oneenigheid; a-Jar (on the —), op een' kier; —, v. a. schudden, doen klapperen, knarten; v. n. klapperen, knarsen, tikken, krakeelen; (witli) sti-yden met; to — apon the ear, onaangenaam zyn voor 't oor; it —red with my feelings, het harmonieerde niet met niyn gevoel.

Jardea (d&ddz), pl. harde knobbels (aan de achterpooten van paarden).

Jargon (d£dy»n), s. brabbeltaal, gemeena

volkstaal.

Jashawk {dzmshók), s. jonge valk. Jjiaiiiiiie (dztvxmini, s. jasmijn.

Jasper (d£wsv»), s. jaspis.

Jaundice (dzdiulix, dzündi*), s. geelzucht; —d, a. met de geelzucht behept, bevooroordeeld.

Jaunt (dzdnt), s. tochtje, uitstapje; —, v. n. uitstapjes maken, rondzwerveu ; —ineaa, luch'igheid, dartelheid, zwierigheid; —y, zwierig, vlug.

Javel {dzarcsl), s. landlooper ; —, v. a. bemorsen, bespatten, bezoedelen.

Javelin [dzwo'lin), s. werpspies.

Jaw [dzó), s. kakebeen, kaak ; liold youi* —t (ruw) houd je bek! tlie — h of heil, de kaken der hel ; tliey re«ened liiui froni *ke —9 of death, z\j redden hem uit de kaken des doods; —bom*, kinnebak ; —falten, neerslachtig; — toot li, kies; — work, kauwing; —, v. a. schelden, beschimpen ; —y, a. van het kakebeen.

Jay (dzei), s meerkol.

Jazel (dzotzil), s. jazel (hemelblauwe edelsteen).

Jealoua (dzefos), a. —ly. ad. jaloerscli, naijverig, achterdochtig (of); —ness, —y, s. jaloersclijieid, naijver, achterdocht.

Jeer (d£%9), s. spotterny, beschimping; —, v. a. bespotten, schimpen (at;; —er, s. spotter, schimper; —ingly, ad. spotachtig. Jehovali (dzihouvj), s. Jehovah.

Jehu (d£ihjn\, koetsier (2 Kon. IX : 20). Jejune (dzidz&n), a. —ly, ad. nuchter; mager, schraal, droog; —nes», s. nuchterheid; schraaliieid, dorheid.

Jell ied (dzefid), a. geleiachtig; —y, b. gelei; —y broth, gestold vleeschnat; to beat one to —y, iemand geducht er van langs geven.

Jemniy (dztsmi), a. net, zindelyk.

Jeune! (dzenit), s. zie Genet, Spaansch

paardje; — ing, s. vroeguppel.

Jenny (dzeni), s. spinmachine ; wyfjesezel (—• —aaa).

Jeopard — ize (d£epdd[aiz~\), v. a. op het spel zetten; —ous, a. gewaagd, gevaarlyk; —y, s. waagstuk, gevaar.

Jerk (dzqk), s. slag, ruk, stoot, worp, steek; at one —, in eens; by — *, met rukken; —, v. a. slaan, smijten, rukken, stooten; v, n. toespringen; (out) uitslaan (van paarden); —ed, a. in schijven gesneden en gedroogd; —er, 8. stooter, werper, tolbeambte.

Jer kin (dzA/c'n), s. jak, wambuis, vlak; —

aey, s. fijne sajet, sporthemd.

Jeaa (dze#), s. werpriem (aan de pooten der valken).

Jeaftamine (dzessmin), s. jasmyn.

Jesse (d£es9), s. kerkkroon (voor kaarsen). Jeat (dzc8t), s. scherts, boert, grap, klucht; In (for) —, schertsend; to break a —, schertsen; to put a — upoii, voorden gek houden; to take a —, scherts kunnen verdragen; —, v. n. schertsen, kortswijlen (af.

Sluiten