Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KIN. — KNI.

Klndred (kindrgd), a. verwant, gelijksoortig; Kliek {klik), v. a. wegkapen, v. n. klapperen,

— souls, verwante zielen; a — likeuess, tikken; —er, s. werkbaas,

•en familiegelijkenis; —, s. verwantschap, Knab (tueb), v. a. & n. kabbelen, bijten, op-

maagschap. happen.

Kine (kaïn), pl. koeien. Kunck (nak), s. speelgoed, «lag, kunstje, lian-

Kinematlcs (kainamcttikf), wetenschap der digheid; slie lias a — ofdolng It, zU heeft

zuivere beweging. den slag er van het te doen ; a — in rhyute,

Klnetie (kainetik), beweging veroorzakende. vaardigheid in rijmen: to ent cl» the — of

Kinetica, leer der krachten. It, er den slag van kragen ; —, v. n. knappen,

Kiuetoscope 'kainetatkoup), kinetoscoop. kraken, gemaakt spreken; —er, s. speelgoed-

Kiug {kin), s. koning (ook in 't schaakspel); maker, paardenvilder,

heer (kaartspelj; dam (in 't damspel); — at Knag (nceti), s. kwast (in hout), pin, plug; —

arms, wapenkoning; — apple, renet; — gy, a. kwastig, knoestig, gemelyk.

craft, regeerkunst; —cup, ranonkel; — Knap (iubv), s. knobbel, verhevenheid, top;

flaher, ysvogel; —killer, koningsmoorder; —bottle, klaproos; — sack, knapzak; —

—piece, —post. gevelspits; —'N-bench, weed, wilde amberbloem, gentiaan; —, v.

oppergereclitshof,kroongevangenis;—*s-evil, a. afbyten, kraken, doen afknappen, v. n.

koningszeer, kliergezwel; — spear, goud- knappen.

wortel; —'s-plate, koninklyke prijs (by wed- Knapple fntrp'l), v. n. afknappen,

rennen); —stoue, engelvisch. Knar (nd[ld])i —I, s, knoest, kwast; —led,

King. v. a. koning maken, dam halen (b. v. —ry. a. knoestig, kwast iir.

I will go to —) in 't damspel; —dom. s. Knav e (ueiv), s. schurk, schelm, boer, knaap;

koninkrijk; aiiimal, milieral, vegetahle to play tlie —, schurkenstreken uithalen;

—dom, dieren-, delfstoffen-, plantenrijk; a — of' diauionds. een ruitenboer (kaart-

to go to —dom eome, (Byb.) ter ziele spel); —ery, s. schurkerij, guitery"; —isli,

gaan; — like, —ly, a. koninkiyk;—ship, s. a. —islily, ad. 6cSiurkachtig, guitachtig; —

koningschap. islmcss. s. schurkachtigheid, guitachtigheid.

Kink (kink), s. kink, inval, bui; —, v. n. in Knead {nul), v. a. kneden; —er, s. kneder;

de war geraken, uitbarsten. —ing«trougli, baktrog.

Kias folk {ktnsfouk), s. maagschap;—mau, Knee (ut), s. knie, kromhout, elleboog; —

—woinaii, s. bloedverwant. crookiiig. onderdanig; — deep. tot aan de

Kipper (kip»), s. zalm (na het kuitschieten); knieën (llie hiiow was —deep; a patli

—time, verboden tyd voor de zalmvangst; —deep in mud); —graas, kroopgras; —

—ed salmon. gezouten zalm. knocked (knoek—d), engbeenig; —pan,

Kirk (kvk), s. kerk, Schotsche kerk; —man, knieschijf; — «trina, kousehand; —timber,

aanhanger der Schotsche kerk (presbyteriaan); kniehout; —tribute, kniebuiging; —, v. a.

—yard, kerkhof. knielend smeeken; —d, a. met knieën of

Klrtle ik&t'V), s. wambuis, jakje, lyfje, baal geledingen: in—d,out—d,met binnen-, met

(vlas, ± 100 pond). buitenknieën.

Kiss (km), s. kus, zoen; —, v. a. kussen, zacht Kneel (ml), v. n. knielen; —er, s. knieier.

aanraken; to — one's hand to, eene kus- Knell (nel), s. doodsklok, gelui; to ring the

hand toewerpen; —er, s. kusser; — ing» — of parting day, het laatste uur van den

eoniflt, welriekend suikergoed; — ing-ciuMt, scheidenden dag door klokgelui aankondigen;

weeke zijde (van een brood); —me-quick, a passing — was tolled by the Curfew

r. voile, sluier; — iu-the-rlug, (spel). Vower bell at Windsor Cnstle, een

Kit (kit), s. zakviool, zalmvaatje, melkemmer, doodsklok werd geluid ... enz.

groote flesch, katje,schoenmakersgereedschap, Kniek-knack (nik-v»k), s. snuisterij, vodderij,

bent, menigte; — cat-club, letterkundig Knife (naif), s. mes; —grinder, messen-

genootschap ten tyde van Addison (18de siyper, -aanzetter; —rest. messenlegger-, —

eeuw). tray, messenbakje : carving —, voorsny-

Kitchen (kitS'n), s. keuken, kombuis;—boy, mes; clasp —, knipmes; dessert —, fruit-

koksjongen; — furniture, keukengereed- mesje; priinliig —, snoeimes; table —, ta-

schap; —garden, moestuin; —maid. keu- felmes; —board, slypplank, zitbank fboven

kenmeid; —range, fornuis, Engelsche kook- op een omnibus); there lias been—work

oven; —stuff, braadvet; —tackling. keu- again, ze zyn weer aan 't vechten (ntessen-

kengereedschap; —wench, vateuwaschster; trekken) geweest; to play a good — and

—work, keukenwerk. fork, een goed vorkje mee kunnen pikken.

Kite (kait), s. wouw, kiekendief, vlieger, Knight (nait), s. ridder, ezelshoofd (scheepst.);

schraper; —flsh, vliegende visch;—'s-foot, paard (in 't schaakspel), parlementslid; —

liavikskruid, gele tabak; to fly a —, een of the blade, snoever, ijzervreter ; — of

vlieger oplaten. the post, valsche getuige; —of the road,

Kith (kith), s. bekende-, neither—, nor kin, straatroover; —errant, dolende ridder; —

geen vriend of maag; to be — and kiu, —errantry, dolende ridderschap; —heads,

nauw verwant zyn. apostels, boegstukken (scheepst.); — mar-

Kitten (kii'n), s. katje; —, v. n. werpen (van shal, hofmaarschalk; — templar, tempel-

katten);—Isli, katachtig. ridder, tempelier; —of the wheel, wiel-

Sluiten