Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

REI. — REL.

Reini prenslou irximprei'n), s. herdruk; —

print, v. a. herdrukken.

Rein [rein), s. teugel; to give the —*, den vrijen teugel laten; to hold a tiglit — over. streng in toom houden, op de stang rijden; to take tlie — s, het. bestuur, de leiding in handen nemen; to let the —s loose, den teuirel laten glippen; —, v. a. beteugelen; —deer, rendier.

Relnforce (rijvjilas), v. a. versterken; —

inent, s. versterking.

Reingratinte (rUugretiieit), v. a. weder in

gunst brengen.

Reins (reinz), pi. nieren, lendenen.

Reinsert (riimAt), v. a. weder inlasschen,

- invoegen of plaiitsen.

Relnspire [riinxpai»), v. a. weder bezielen. Reinwtnll (rthu/ó/), v. a. weder aanstellen, herstellen (in een ambt); —ment, s. wederaanstelling, herstelling.

Reinstate (riinstett), v. a. weder in bezit stellen.

Reinsnr ance {rVmSitrgnt), s. herverzekering;

—e, v. a. herverzekeren.

Reintegrate (rttutoffreit), v. a. herstellen, in

den vroegeren toestand brengen.

Reinvest [rxinvest), v. a. weder bekleeden. Reitera te (rittereit), v. a. dikwijls herhalen;

—tlon (riitareti'n), s. herhaling.

Reject (ridiekt), v. a. verwerpen, verstooten;

—able a. verwerpelijk ; —Ion, s. verwerping. Rejoic e (ridzot*), v. a. verheugen, v. n. zich verheugen (at, in); —er, b. verheuger; — ing, s. vreugdebedrijf; — ing Ure, vreugdevuur; — ingly, ad. met vreugde.

Rejoln (rxdzoin), v. a. weder vereenigen, weder ontmoeten; —-, v. n. weder antwoorden; — der, s. wederantwoord; —t, v. a. weder samenvoegen, in het lid zetten, voegen (met kalk).

Rejudge Iridzadz), v. a. opnieuw beoordeelen,

• onderzoeken.

Rejuven nte (ridzüvsneit), v. a. verjongen;

—escence (ridznvgnes'M), s. verjonging. Rekindle (riktnd'l), v. a. weder aansteken. Relapse {rilttp»), s. terugvalling, instorting, terugkeer; —, v. n. weder instorten, weder vervallen (iiito, tot).

Relat e (rifett), v. a. verhalen, v. n., (to) betrekking hebben, verwant zijn; — ed, a. verwant, vermaagschapt; nearly —ed to, nauw verwant aan: —er, s. verhaler; — ion (rifoti'n), s. verhaal, betrekking, verwantschap, bloedverwant; by —ion, van hooren «eggen; in —ion to, met betrekking tot; —ship, s. verwantschap; — ive, a. — ively, ad. (rebtiv), betrekkelijk; —ive, s. bloedverwant; —iveness, s. betrekkelijkheid (— —Ivity).

Kelax (rtlnkt), v. a. verslappen, los maken, verzachten, ontspannen; v. n. slap worden, zich ontspannen; — ation [relskseté'n), s. verslapping, ontspanning; — ative (ril fries9tiv), a. & a. laxeerend, verzachtend (middel). Relay (rilei), s. voorraad of verwisseling van paaiden, honden, menschen, b.v. a — of

hounds, of horses, of palanqulu» bearers.

Release (rili*), s. loslating, ontheffing, ontslag, quitantie, overdracht; —, v. a. loslaten, ontheffen, opgeven; —inent, s. loslating, bevrijding; —p, g. loslater, bevrijder.

Relega te (relayeit), v. a. verbannen, wegzenden; —tiou (reltpeti'n), s. verbanning.

Relent (rilent), v. a. weelc (vochtig) worden; without—, zonder ophouden; —less, a.' onvermurwbaar, onmeêdoogend.

Relevan cy (retevansi), 8. toepasselijkheid,

gewicht.; —t, a. toepasselijk, gewichtig.

Reli able (rilaiab'!), a. te vertrouwen; — ability, — ableness, s. vertrouwbaarheid ; —ance, s. vertrouwen ; to place —ance in, vertrouwen stellen op.

Relic (relik), b. overblijfsel, reliquie; — s, pl.

stoffelijk overschot; —t, s. weduwe.

Reliëf (rilif), s. verlichting, ontheffing, onder* stand, ontzet, aflossing, verheven beeldwerk, verhevenheid; demi*—t halfverheven; low —, bas relief; —«ticket, soepkaartje; parish —, kerkelijke armenzorg; iiwloor—, outdoor— (zie Door); the — of I.adysiiiith, het ontzet van Ladysmith; to bring into clear —, duidelijk doen uitkomen; to be cut oflT the —-list, geschrapt worden van de lyst der ondersteunden.

Relier {rilnla), s. vertrouwer.

Reliev able [rilicgVl), a. voor verlichting (hulp, onderstand) vatbaar; —e, v. a. verlichten, ontheffen, ondersteunen, bijstaan, ontzetten, aflossen, doen uitkomen; to —e the sltuation at length, eindelijk aan een pijnlijk onderhoud een andere richting geven; to —e guard. de wacht aflossen; a —ingofflcer, een armenverzorger; —er, s. verlichter, ontheffer, ondersteuner, aflosser;—o (rilivö), g. relief.

Relij>lit (rilalt), v. a. weder aansteken, weder verlichten.

Religi on (riUd£'n), s.godsdienst;—onisin, s. godsdienstzin ; —onlst,s. femelaar, dweper; —oii», a. —ously, ad. godsdienstig, godvruchtig, nauwgezet, stipt; — ousness, b. godsdienstigheid.

Relinquish (riUt^ktrii), v. a. verlaten, opgeven; —er, s. veriater, opgever; —ment, ». verlating, opgeving.

Reliquary [relikwsri), s. reliquieënkas. Relish (rttlii), s. smaak, lekkere beet, proefje, genoegen, neiging (for, of); to have a — for iiiusic, for arms, for poetry, smaak hebben voor to give a — to, smaak

(krachtiger) geven aan; life has not yet lost its — to her, het leven heeft voor haar nog niet. zijn bekoorlijkheid verloren; —» v. a. smakelijk maken, smaak (genoegeu) vinden in ; v. n. goed smaken; (of) smaken naar; (with) behagen, bevallen; —able, a. smakelijk.

Relucent (riljüs'nt), a. blinkend, doorschijnend.

Reluctan ce (riloktins), s. tegenzin; —t, a.

21

Sluiten