Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SUB. — SÜC.

toedienen, verschaffen, v. n. dienstig (behulpzaam) zijn.

Submi** Ion (tvbmii'n), s. onderwerping, berusting, gelatenheid; —Ive, a. —Ively, ad. onderdanig, onderworpen, deemoedig; —ire* ness, 8. onderdanigheid, onderworpenheid, deemoed.

Subnilt (avbmtt), v. a. onderwerpen, overlaten

(to); v. n. zich onderwerpen (to). Subordlna cy ($vbó»dineiti), h. ondergeschiktheid, onderhoorigheid; —te, a. — tely, ad. ondergeschikt, onderhoorig; —te, v. a. ondergeschikt maken; — tion (êobóadinetïn), s. ondergeschiktheid, onderwerping, afklimming, lagere rang.

Suborn (tnbóan), v. a. verleiden, omkoopen; —atiou (anbó»neU'n), s. verleiding, omkooping; —er, s. verleider, omkooper.

Subovnl (aobouval), a. byua eivormig. Subpoena (tvbpiiia), s. dagvaarding (onder strafbedreiging); —, v. a. dagvaarden (onder strafbedreiging).

Subprior {aobprat»), s. onder-prior. Subrector (anbrekt»). s. onder-rector. Subreption (subrepf'n), s. zie Surreptlon. Subsnit (avbsólt), b. onderzout.

Subseribe (atbskraib), v. a. onderteekenen, inschreven voor, v. n. inteekenen (to), inwilligen (to); —r, s. onderteekenaar. inteekenaar, abonné.

Subscription (tDbskrtpg'n), s. onderteekenlng,

inteekening; —liet. inteekenlijst.

Subsec tion (tobseki'n), s. onderafdeellng-

—utive (avbsekjütiv), a. volgend. Subieqnen ce [mbsikwant), s. volging, vervolg; —t, a. —tly, ad. volgend, later (to). Suburv e (8Db8Óv), v. a. dienen, behulpzaam zijn, bevorderen; — leitee, — iency, s. dienstigheid, bevorderlijkheid, afhankelijkheid; —ient, a. dienstig, bevorderlijk, dienstbaar (to).

Subsld e (aobaatd), v. n. zinken, zakken, afnemen, bedaren; -ence, — eucy (aabtid9tu[i)), 8. (het) zinken, zakken, afneming; —■•py (**>&*<d[;?ri),a.helpend, ondersteunend, hulp-; a—iary railway, een hulpspoor; —iary troopa, hulptroepen; —ise (sobti(Mix), v. a. onderstand verleenen; —y (tobetrft), s. onderstand, toelage, subsidie. *ubsign (sobsatn), v. a. onderteekenen. subsist (avbstst), v. a. onderhouden, v. n. bestaan (in), leven (on, upon), z{jn, voortduren; —ence. s. bestaan, voortduring, levensonderhoud; —ent, a. bestaand, aanwezig, inwonend.

Subsoll (sobsoil), s. ondergrond.

?fa,,ce ('"tot'"*). ». zelfstandigheid, stof, (net) wezenlijke, (het) wezen, kern, hoofdbestanddeel, hoofdinhoud, middelen, bezitting; in —, in hoofdzaak.

Subatanti al {svbstarni'l), a. — ally, ad. zelfstandig, lichamelijk, stoffelijk, wezenlijk, hoofdzakelijk, krachtig, vast, degelijk, welgesteld; a —al meal, een krachtig, flink «• zelfstandigheid, Hoffelijkheid, wezenlijkheid, hoofdzakelijk¬

heid, kracht, stevigheid; — ala, pl. hoofdpunten; —ate, v. a. verwezenlijken, bewijzen, bevestigen.

Substantlwe (sobiüntiv), a. —ly, ad. zelfstandig; —, b. zelfstandig naamwoord. Subatitu t® (sobatitjüt), s. plaatsvervanger, Hurrogaat; a —te for sugar, een surrogaat voor suiker; —te, v. a. in de plaats stellen van, onderschuiven; —tlou (snbstitjüé'n), s. plaatsvervanging, onderschuiving. Suhstract (aabalrtrkt), v. n. zie Subtract. Subwtriict Ion (tobttroki'n), —ure, s. onderbouw, grondslag.

Subtend (aabtend), v. a. zich uitstrekken onder.

Subterflu ent (agbtójliiint), — oua, a. onderdoor stroomend.

Subterfuge (aobUfjüdi), s. uitvlucht, voorwendsel.

Subterrane (aobtarein), s. onderaardsche gang, onderaardsch gewelf; —au, —oua, a. onderaardsch.

Subtil e (aabtil), a. —ely, ad. fijn, dun, teeder, scherp ; —ity (nbUliti), -enen, s.

fijnheid, danheid, teederheid, scherpte;

i zat ion (SDbCilizelé'n), s. verdunning, 'het vluchtig maken, hanrklooverü; —iie, v. a. verdunnen, vluchtig maken, v.n.haarklooven. Subtle («oVI), a. fijn, loos, sluw, listig,'scherp, spitsvondig; —ty, s. fijnheid, loosheid, sluwheid, scherpzinnigheid.

Subtract (aabtmkt), v.a.aftrekken, wegnemen (rrom); — er.s.aftrekker; —ion (asbtmki'n), s. aftrekking, wegneming, onthouding. Suburb (soböb), s. voorstad; — an SDbób'n),

a. van (in) de voorstad.

Subvention (svbveni'n), s. hulp, bijstand. Subver «ion (anbvAi'n), s. omkeering, omverwerping; —sive, a. omkeerend, omverwerpend; —t, v. a. omkeeren, omverwerpen; —ter, s. omverwerper, vernieler; — tible.a. omver te werpen, te vernielen.

Subworker {fabicvk»), s. helper. Succedaneoua (8Dk8idetnj98), a. plaatsvervangend.

| Succeed [aaJcaid), v. a. opvolgen, doen gelukken, v. n. (to) volgen, opvolgen, slagen (in); gelukken; to — to >tlie throue, op den troon opvolgen ; nothiug —s like success, wie heeft, dien wordt nog meer gegeven; — er, s. opvolger.

Success (S9/C8C8), 8. gevolg, uitslag, goed gevolg, voorspoed ; — ful, a. —fully, ad. voorspoedig; — falness, s. goede uitslag, voorspoed;—Ion, a. opvolging, erfopvolging, volgorde, nakomelingen; War of —ion, erfopvolgingsoorlog; —lon-duty, successierecht ; In —Ion, achtereenvolgens; —Ive, a. opvolgend, op elkander volgend; —ively,ad. achtereenvolgens; — iveneus, s. opvolging; —less, a. onvoorspoedig, mislukt; —or, s. opvolger, nazaat.

Succidnone (a»katdju9»), a. waggelend. Succiferoue (aokaifgna), a. saprijk.

Suecinct (avlcat^kt), a. —ly, ad. beknopt; — ness, a. beknoptheid.

Sluiten