Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

——forlced, gedrletand; — lieaded, driehoofdig; —Inch, — inched, drieduims, nietig, onbeduidend; — lenved, driebladerig; —legged, driebeen!?; — iterved.drieribbig; —pence, driestuiversstukje; —penny, drie stuivers waard, gemeen, gering; —score, zestig; —-sided, driezydig; —-valved, driekleppig.

Threnody (threnadi), s. klaagzang.

Thresh (threi), v. a. & n. zie Thrash.

Threshold (threiould), s. drempel.

Thrlee (thrais), ad. driemaal.

Thrld (tfirid), v. a. doorsluipen, doortrekken, zie Thread.

Thrifallow (thraifalö), v. a. driebraken, voor de derde maal ploegen.

Thrlft (thrtft), s. geluk, voorspoed, voordeel, spaarzaamheid, huishoudelijkheid; —ily, ad. —y, a. voorspoedig, zuinig, spaarznam;— Iness, s. zuinigheid; — lesa, a. verkwistend.

Thrlll (thril), s. drilboor, tochtgat, doordringende toon, triller; —, v. a. boren, doorboren, doordringen, v. n. indringen, rillen, trillen, tuiten; —era and cardlera,sensatie-romans; —Ing, rilling.

Thriv e (thraiv), v. a. tieren, welig groeien, toenemen, gedyen, ryk worden, voorspoed hebben; —er, s. voorspoedig man; —ing, a. voorspoedig.

Throat (throut),a. keel, strot, ingang, klauw, hals; a aore —, pijn in de keel; her heart wa» In her —, het hart bonsde haar in de keel; a cut—, een moordenaar; to cut one'i —, zich (iemand) den hals afsnyden, (fig.) zijne eigen belangen schaden, zyne eigen glazen ingooien ; to rlear one'i —, zich de keel schrapen; I have It up to my—, het hangt my de keel uit; to lie in one's —, onbeschaamd liegen; to glve nne tlie lie in his —, iemand voor de voeten gooien, dat hy liegt; —band. keelriem; —block, gordingblok; — brail, groote gei; — buckle, gesp van den keelriem; —flap, strotklepje; —halliartl, gaffel val; —plpe, luchtpijp; —-root, watersteenbreke, -maartkruid; — ■eiziug. liartbindsel; —wort, halskruid.

Throb (fhrob), s. klopping; —, v. n. kloppen; —blng, s. klopping, hartklopping.

Throdden (throd'n), v. n. gedijen, wassen, toenemen.

Throe (throu), s. barensnood, doodsangst, doodsstryd; —, v. a. & n. hevig (doen) ïyden.

Throue (throun), s. troon; Speech from the —, Troonrede; to iiiount the —, den troon bestygen; —,v.a. op den troon plaatsen.

Throng (throu), * druk, bedrijvig; —, s. gedrang; —, v. a. & n. dringen, (elkander) verdringen, verstoppen.

Throstl • (throfl), a. lüster, getouw; —ing, s. keelgezwel (by het rundvee).

Throttle (throtl), s. luchtpijp; —valve, stoomklep; —, v. a. & n. worgen, smoren, atlkken.

Through (thril), ad. door en door, eeheel; —, Prp. door; to aee — one's scheutes,iemands plannen doorzien; to go — ceremonies,

plechtigheden verrichten; to fall —, fn duigen vallen, niet doorgaan; a —«train, een doorgaande trein; a —ticket, een plaatskaart rechtstreeks tot aan de plaats zyner bestemming; —ly, ad. zie Thoroughlyi —out, ad. steeds, overal, prp. geheel door; to hear a man —, een' man tot het einde aanhooren; — the year, het gansche jaar door.

Throw (throu), s. worp, slag, inspanning, wee.

Throw (throu), v. a. werpen, sinyten, af-, om-, neder-, uit-, wegwerpen.twynen,draaien ; to — one's self on (npon), zich verlaten op; (about) in 't rond werpen; (away) wegwerpen, verkwisten, te gronde richten; (back) terugwerpen, -drijven; (by) verwerpen, ter zyde leggen ; (down) nederwerpen, omverhalen, verwoesten; (In) inbrengen, inlasschen; (oflT) afwerpen, verwerpen, uitdryven, verstooten; (out) uitwerpen, uitstooten, verbannen, te verstaan geven; (up) opwerpen, wegwerpen, opgeven; to — up a situation, eene betrekking neerleggen; to — up the eponge, zich gewonnen geven; to — over (a lover), (een minnaar) de bons geven; —, v. n. werpen, dobbelen; (about)op middelen denken, middelen beproeven; to — dust Into a person's eyes, iemand <*en rad voor de oogen draaien; to — a tub ton whale, iemand iets op de mouw spelden; to — In one*s teeth, iemand (een verwyt) naar hethoofd slingeren; to — cold water on,(fig.) ontmoedigen; to — down the gauntlet, (fig.) den handschoen toewerpen, uitdagen; to — the game up, het spel opgeven; to — olT the scent, het spoor byster maken, van het spoor afbrengen; to — out pickets, voorposten uitzetten; to — in a word,een woordje in 't midden brengen; —er, s. werper; —-ster, *. twyner.

Thrum (thrvm), s. dreun, dreumes, grof garen; —-cap, wollen muts; —hat, ruige hoed; —, v. a. & n. knoopen, vlechten, met franje omzoomen, spekken, slecht spelen, zagen, opdreunen, met de vingers trommelen, tokkelen.

Thrush (thrvi), s. lijster, spruw (mondziekte van kinderen).

Thrust (thrvst), s. stoot, steek, aanval; to niake a — ata person, naar iemand stooten.

Thrust (thrvst), v. a. stooten, duwen, steken, doorboren; stoppen;to— one's self lnto,zich dringen (mengen) in; (away) wegstooten; (down) naar beneden stooten; (In) insteken, instootea, indrijven; (oflT) wegstooten; (on) aan-, voortdry ven, voortduwen; (out) uitdryven; (through) doorsteken; (upon) wys maken; —, v. n. stooten, zich werpen ; (at) indringen; (in) (into) zich mengen in; (on) voortdringen; —er, s. stooter, aanvaller.

Thuutb (thvm), s. duim; by rule of —, krachtens ervaring, op practische wyze; to put one's — to one's nose, (fig.) iemand een langen neus maken; to have under one's —, (fig.) onder den duim hebben; to blte one's — at, (fig.) iemand verachteiyk bejegenen; Toiu —, Klein Duimpje; gene-

THR. — THÜ.

Sluiten