Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

handelaar, winkelier, handwerksman; —(■)l ui vakvereeniging; —wiml, passaatwind ; —, v. handelen, handel dryven; to — witl» mie, met iemand handel draven; to — to Kiiglaiid, iiandel drijven op Kngeland; to — <»n o person. iemand bedriegen, voor den gek houden; —ü, a. bedreven, ervaren; —r, s. handelaar, grossier, ervaren persoon, koopvaardijschip; —•, p!. handwerkslieden.

Trading [tretdin,), s. (het) handelen; —, a. handeldrijvend, handel-; —-compaiiy, handelmaatschappij; —lleet, handelsvloot; —toMii, koopstad; —veoel, —sliip, koopv aard ij schip.

Tradition (tradit'n), s. overlevering; —«I. —ary, a. —ally, ad. overgeleverd, bij (volgens de) overlevering; —er, —lat, s. voorstander der overlevering.

Traduc e (tradjfis), v. a. doorhalen, belasteren; —ent, a. lasterend, schendend; —er, s. lasteraar, schendtong; —tlon [traduki'i.), s. voortplanting, ovei brenging, overlevering, overgang ; —tive, af te leiden.

Trafflc (trtrjik), s. handel, handelsdrukte, •verkeer; —-manager, chef van het goederenvervoer, koopwaar; —, v. a. ruilen, verhandelen, v. n. handel drijven; —able, a. verhandelbaar; — ker, b. handelaar.

Tragacanth [trargakcenth), s. dragant (wortel), (soort van gele gom).

Trageil ian [tradzidjan), s. treurspelschrijver, •dichter, -speler; —y [tradzadi), s. treurspel.

Tragic [tr«rdéik), — al, a. —ally, ad. tragisch, treurig; —alness, s. (het) tragische, (het) treurige, droevige.

Tragicom edy (trirdzikomadi), s. blijeindend treurspel; —Ie, —ical,a. treurig, vroo1 ijk, tragicomisch.

TraII [treil), s. spoor, staart, sleep, straal; —hoar<l, kaïnhout; —net, sleepnet; —, v. a. sleepen, op het spoor volgen, v. n. slepen; to — arms,het geweer omlaag dragen; —ingplant, slingerplant (neerhangend).

Train (trein), s. trein, gevolg, stoet, rij, reeks, sleep, slip, staart, nasleep, loop, loopvuur, list, kunstgreep, aanloksel, wijze, manier; »n expres*—, een extra-trein; a fast—, een sneltrein; an excursion-—, een pleiziertrein; a slow—, een gewone trein; a «loddering—, een boeineltrein; a goods—, een goederentrein; a through—, een doorgaande trein; a rellef—, een hulptrein; a mail—, een posttrein; a down—, een trein van Londen of ander groot centrum; an tap—, een trein naar Londen of enz.; a par- ' llamentary—, een goedkoope volkstrein (Londen); a — of ideaa, een gedachteureeks; a — of illa, een reeks onheilen-, — of artillery, geschuttrein, een aantal veldstukken of Kanonnen; —bands, pl. schutterij; —bearer, sleep-, slippedrager; —oil, traan; —tackle, achtertalie; —, v. a. trekken, sleepen, lokken, verleiden, grootbrengen, onderwijzen, oefenen, drillen, africhten (up), (ou) voorttrekken; —able, a. op te voeden, ,

af te richten ; —er, •. africhter, drilmeester; —iiig-ahlp, opleidingsschip.

Trait [trei[t), s. trek, streek, toets.

Traitor [(rei/»), s. verrader; -om, a. — oiiftly, ad. verraderlijk, trouweloos.

Traltress (/rei/rj*), s. verraderes.

Traject (trtedéakt), s. overvaart, veer.

Traject [traozekt), v. a. werpen, doorwerpen; —ion, s. doorwerping, doorlating, overvoering, uitstrooming, verschieting, omzetting; —ory, s. loopbaan (vau planeet of projectiel).

Tram [treem), s. boeren-, kolenwagen, tram (wagen); — line, tramlijn; — way (—road), tramweg; -way«car, tramwagen.

Trammei [trarm'f), s. schakelnet, beugel, schoorsteenhaak; the petty —sof society, de kleingeestige belemmeringen in de samenleving; —, v. a. vangen, opvangen (up), belemmeren, tegenhouden, verhoeden (up).

Tramontane (trdmautana), a. aan gene zijde der bergen gelegen, vreemd; —, s. vreemdeling, barbaar, noordenwind (in de Middellandsche Zee).

Tramp [treemp), s. voetreis, rondzwerving, landlooper; —, v.a. trappen, betreden,(down) vertreden, v. n. te voet reizen, rondzwerven; — out! scheer je wegi —er, s. zwerver, landlooper,

Trample [treemp'l), v. a. met voeten treden, vertrappen, v. n. stampvoeten, (ou, upon) met voeten treden; —r, s. trapper, vertrapper.

Trance [trdn»), s. verrukking, geestvervoering, schijndood; —, v. n. verrukken; —d, a. verrukt.

Traiiqull [trtenjewil), a. —ly, ad. stil, rustig; —Ilty, —ness, s. stilte, gerustheid; —Ilse, v. a. stillen, geruststellen.

Transact [treeiearkt), v. a. behandelen, verhandelen, verrichten, v. n. onderhandelen; to — business with, handelen met, zaken doen met; —Ion, s. onderhandeling, behandeling, verdrag, handelszaak; stock —ions, beurszaken; —Ions of the Hoyal Geogra-

Jihical Society, Handelingen v. h. Aardr. Sen.; — or, s. onder li andelaar, uitvoerder, bewerker.

Trans alpine (tr»nza>Ipain), a. aan gene zijde der Alpen gelegen; —atlantic, a. gene zijde van den Atlantischen Oceaan, overzeesch.

Transcend [tramend), v. a. overtreffen, te boven gaan; -euce, — ency, s. voortreffelijkheid, uitstekendheid; —ent, a. — ently, ad. voortreffelijk, overtreffend; — en tal, a. allesovertreffend, uitmuntend, borenzinnelyk; —ental philosopliy, transcendentale wijsbegeerte.

Transcr ibe (trantkraib), v. a. overschrijven; —iber, s. overschrijver; — ipt (trtrnnkript), b. afschrift; —iptlon, s. overschrijving.

Transcur (tranrkA), v. n. heen en weer loopen, zwerven; —«ion, s. (liet) heen en weer loopen, afdwaling, afwijking.

Transept [trtrnsapt), s. kruisvleugel (van eene kerk).

Transfer [trtrnefv), s. overdracht; — paper, steendrukpapier.

TRA. - TRA.

Sluiten