Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WAG. - WAL.

the — of «in, het loon der zonde: the wage-earning classes, de loontrekkende klassen, de arbeidende stand; wage-fuud, loonstandaard; the living wnge, liet loon, waarvan men behoorlijk kan leven; a fair day's wage fop a fair day's work, een behoorlijk loon naar behoorlijken dagarbeid.

Waggery (trtrgari), s. snakery.

WagRish (irtrgii), a.; —ly, ad. schalkachtig; —nest, s. schalkachtigheid.

Waggle (tcetg'l), y. a. & n. (doen) waggelen, verwikken.

Wagon, Waggon [trtrg'v), s. wagen, vrachtwugen; —age, s. voerloon;—er, b. voerman, vrachtrijder, conducteur; —, v. a. per vrachtwagen vervoeren.

Waif (tceif), s. onbeheerd goed, zwerveling, daklooze; Yhe Wnifsand Sti-ays Society, De Vereeniging tot opneming van dakloozen en zwervelingen.

Wall [treil), s. jammer-, weeklacht; v. a. & n. jammeren, weeklagen (over); to rail at and — over, spotten met en weeklagen over; —fnl, a. jammerend, droevig; — ing, 8. weeklacht.

Wain [trein), s. wngen; Charles's —, de Groote Beer; the lesser —,de Kleine Heer; —house, wagenschuur; —load, wagenvracht ; — ro|»e, wagentouw; — age, s. wagenvracht; —-wright, wagenmaker.

Waimcot [treinekot), a. wagenschot, lambrizeering; —, v. a. (met wagenschot) bekleeden, betingelen; — ing, s. wagenschot.

Walr (tréa), s. stuk timmerhout (6 voet lang en 1 voet breed).

Waist (tceist), s. middel, middeldek, kuil; — band, broeksband ; —-clotli, schanskleed; —coat (tres/ft), s. vest; —deep, —high, tot aan de middel; —era, pl, kuilgasten, onervaren matrozen.

Wait [tceif), s. loer, hinderlaag; the —• between the acts of a play, de pauzen tusschen de bedreven van een tooneelstuk; to lay — for, lagen leggen, strikken spannen; to lie in — for, op den loer liggen voor; —, v. a. & n. wachten, verwachten, vergezelJen, volgen ; (at) bedienen; (for) wachten op; (on, upon), bedienen, ten dienste staan, zijne opwachting maken bij, begeleiden, volgen; to — till doouisday, vergeefs wachten; —er, s. jan (bediende), kellner, oppasser, presenteerblad ; dumb —er, dien-of hoektafeltje ; minority —er, kellner zonder betrekking; —ing, s. het wachten, begeleiden, bedienen ; in —ing* dienstdoend; offlrer in —ing, officier van dienst; ladies in —ing. hofdames; lords in —ing, dienstdoende kamerheeren ; —Ing boy, loopjongen; —inggentleman, kamerdienaar; — ing-inaid, — itig-woinaii, oppasster, kamermeisje, kamenier; -ing*rooiu. wachtkamer.

Waits (wette),pl.stadsmuzikanten,Kerstzangers.

Walve [treiv), s. verstootene;—, v. a. verlaten, buiten de bescherming der wet stellen ; to — ceremonies, claims, van alle plichtplegingen, rechten afzien.

Wake [teeik), s. (het) waken, nacht wake,kerkwijdinu'sfeest, kielwater, zog; to coine In one's —, la iemands vaarwater komen; to follow In one's —, iemand navolgen, nakomen; —robin, arouswortel; —time, waaktyd; —, v. a. wekken, v. n. waken, ontwaken: —ful, a. — fully, ad. waakzaam, wakend; —fulneaa, 8. waakzaamheid, slapeloosheid ; waking honr«, slapelooze uren.

Waken (irelAr'w), v. a. wekken,v.n. ontwaken; —er, s. wekker, opwekker.

Waker [treikg), s. wekker, waker.

Wale [treil), s. striem, streep, berghout; -—r, *. strenge kastijder.

Walk [trók), s. wandeling, wandelplaats, laan, gang, tred, ruimte; to take a —, eene wandeling doen (=» to go out fora—);by-—, zijlaan; — of lift», beroep, vak, levenspad; a" easy —over, een gemakkelijke overwinning; —, v. a. bewandelen, doorloopen, doen stappen, leiden; to — tlie rounds, de ronde doen; —, v. n. wandelen, gaan, stappeu, spoken; (abont) rondloopen; (in) binnentreden ; (off) zich wegmaken ; (on) voortwandelen ; (out) uitgaan; to — in one's sleep, slaapwandelen; to — the plank, ontslag nemen, doen verdrinken; to — the streets, langs de straten slieren, slenteren; to — over one, over iemand den baas spelen; to — hospitals, de kliniek bezoeken (door jonge medische studenten); to — one's chnlk, weggaan zonder plichtplegingen; to — the clialk, clialk-mark, zich correct gedragen ; —er, s. wandelaar, voetganger, volder, boschwachter; street— er, straatlooper(-ster); sleep—er, slaapwandelaar(ster); —er \ [slang), mot je mijn hebben ? — ing.s.het wandelen; — ing-gentle* man, — Ing-lady, figurant(e); —ing-tlcket, ontslagbriefje (uit de gevangenis), verlofbriefje; — ing-suit, wandelkostuum; —ingcaue, — ing-Ntafl*. — ing-stlek, wandelstok; —ing-flre, dwaallicht; —iug-place, wandelplaats.

Wall [tcól), s. muur, wand, wal, vestingwerk; to give (to take) the —, de hoogerhand laten (nemen); to hang l»y tlie —, verwaarloosd worden, ongebruikt blijven; to drive to the —. in het nauw drijven; to go to the —, wijken, bezwijken, den strijd verliezen; take the —, loop rochts van mij; —s have ears(flg.), de muren hebben ooren, wy worde;* beluisterd; —ereeper, muurspecht; —eye, groene staar, glasoog; —eyed, glasoogig; —fern, muurvaren; —flower, muurbloem; —fruit, spalierooft; —gun, —-piece, haakbus; —liook,muurhaak; —knot, schildknoop; —-louse, wandluis; —moss, ëikenmos; —•nail,spaliernagel; --paper, behangselpapier;—pepper, muurpeper, huislook; —rue, muur-, steenruit; —-slded, stijf, niet rechte zijden ; — tree, leiboom; —-w«rt, wilde vlier; —, v. a. met een' muur omringen, versterken; (up) dichtmetseleu; —Ing, s. bemuring, muur-, metselwerk.

Sluiten