Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

selpaard; —iiifc* «. verroer per as, ronddraaiing, liet rollen, zwenking; — y, a. wielvormig, rondvormig.

Wheeie (wlz), v. n. snulven, hygen; wlieezy,

a. hijgend, aamborstig.

Wheik (welk), s. blaar, vin, puistje, trompetschelp, kinkhoren; —y,a. knobbelig, puistig uitpuilend, met verhevenheden.

Whelm (icelm) v. a. indompelen, overdekken, bep-raven.

Whelp (welp), s. welp, jong, jonge hond. klamp, guit, bengel; —, v. n. jongen; —ing, a. schelmsch, guitig, lichtvaardig,

When {teen), ad. wanneer, toen, als; —ever,

—«oever, ad. wanneer ook.

Whence (went) ad. vanwaar, waaruit; —

«oever, ad. vanwaar ook.

Wliere («•£»). a. waar, alwaar; aiiy , ergens ; every —, overal ; -nbout, — abouta. ad. waaromtrent, waarover, s. verblyfplaats; to «end oneto the — nboula, iemand de laan uitsturen ; —iim, ad. naardien, terwijl, daar toch ; —at, nd. waarop, waarover; —by, ad. waardoor; —fore, ad. waarom, weshalve;

—int©. nd. waarin ; —of, ad. waarvan; —011, — IIpon, ad. Waarop; —«oever,— ver, ad. waar ook; —to, —unto. ad. waartoe; —with, —withal, ad. waarmede, s. middel van bestaan.

Wherry (tceri), s. veerschuitje; —man, veerman; —, v. a. overzetten, overvaren.

Whet (ieet), s. (het) scherpen, prikkel, borreltje; —«tone, siyp-, wetsteen; —, v. a. & n. slypen, wetten, aanzetten, opwekken, verbitteren.

Whetlier (tcethp), pr. wie (welk) van beide ;

—, ad. of, hetzy ; — ... or..., of... of, Whetter (wet»), s. wetter, siyper.

Whey (wei), s. hul, wei; —ey, — i«h, a. wei-

achtig.

Whicli, (witi), pr. welke, welk, wie, wat, die, dat, hetwelk; to know — ia —, weten te onderscheiden, weten wie of wat; —ever —«oever, pr. welke (wie, wat) ook.

WhitF (wif) s. haal, trek, gesuis, gesnor; —, v. a. uitblazen; v. n. blazen, suizen,snorren. WhiffTe (wt/'l), v. a. & n. blazen, snuiven, fluiten, heen en weer fladderen, onbestendig zyn, beuzelen; —tree, zwengel; —r, 8. blazer, fluiter, voorlooper, beuzelaar.

Whlg (wig), s. zure wei; Whig; — gery, — giaui, s. beginselen der Whigs ; — gi«h, a. Whig, van de Whig-party.

While, (wail) s. wyi, poos, tyd; a good —, eene geruime poos ; in the niean —, middelerwgl; it |« not worth —, het is de moeite niet waard ; all tliis —, al dieutydbetween —«, zoo nu en dan; fora—,een tydlang, een poosje; once in a —, een enkele keer ; —, v. a. rekken, (away) verbeuzelen ; v. n. toeven, talmen ; —, ad. terwyi. Wnllom (watl'm), ad. voorheen, weleer, Whilst (watltt), ad. zie While.

Whini, (wim), s. gril, nuk, lokeend- windas ; —gin, paardeu kaapstand er ; —wham, s.' nestery, klucht; —, v. n. grillen (nukken)

WHE. — WHL

hebben • —per, v. n. grimmen, kreunen* klagen ; — «ey, s. gril, nuk.

Whimaleal (wtmzik'l), a. —ly, ad. grillie •

—ity, -wei», i. grilligheid.

Whin (win), s. brem, prlemkruid; —cliat, bruinkeeltje;—«tone, bazaltsteen ; randsteen. Whine, (wain), b. geteem, gehuil, gejank; —, v. n. temen, met «ene huilende stem spreken; —r, s. temer, huiler, janker.

Whin iiy (vini), a. vol brem of prlemkruid ; -"y« v. n. hinniken; —yard, «. zwaard ; kaasmes, wormsteker.

Whip (wip), s. zweep, karwats, geesel; postiljon, partUoproeper (Parlement); he ia the beat — hi the country, li(j is de beste voerman in 'tland; —aml apur,spoorslags;. —-cord, —-laali. zweeptouw ; — graft, v. a. zuigen (wtfze van enten); — grafting, b. (het) zuipen ; —hand, voorhand; to have the —•hand ofoue, iemand de baas zyn; to take•I"® —-hand of one, iemand terechtzetten; —horae, ryzweep; —mounting, zweepbeslag; —poor-wiil, Virginische geitenmelker (vogel); —rope, takelgaren; —aaw, span—atatT, —stick, —«tock. zweepstok,. zweep, voerman; —«titelt, snyder, kleermaker.

Whip (wip), v. a. rweepen.geeselen,tuchtigen, dorschen, klutsen, ineenrügen, betakelen, schielijk doen, - bewegen, snel wegnemen,, wippen; (nbout) omwikkelen; (otT) snel afdoen, wegkapen; to — the cat, bezuinigen op kleinigheden, uit naaien gaan als naaister;

, v. n. zich snel bewegen, wippen, springen; —per, s. zweeper, kastjjder; -per-in, s. jachtknecht, hondenjongen, baas, hoofd, opdry ver (in 'tBritsche Parlement)» —ping, s. het geeselen, afrossen, kastyden; -pingpost, geesel paal; —pietree, zie Whiffle*re«; —«ter, s. vlug (handig) ventje.

M hir (wv), v. a. wegdraaien, wegrukken, v.a.

snorren, jond-, wegsnorren.

Whirl (wvl), s. ronddraaiing, draaikolk; —bat. maliekolf, strydknots, -handschoen; —beetle, zwemkever; —boue, knieschyi';. ——pool, draaikolk, maalstroom; —wind, dwarrelwind; —, v. a. snel ronddraaien, v. n. rondsnorren, ronddwarrelen • draaitol.

Whirring (wArin,), s. gefladder, geklapwiek. Whi»k (wi*k), s. borstel, stoffer, wisch, kuipersscliaaf, halskrnag, ruk; —, v.a. at borstelen, afstoffen, vegen, v. n. zich snel bewegen, ronddraaien; 'about) rondfladderen ; —er, s. veger, afstoffer, bakkebaard; —«plitter. sluwe vos; —et, 8. mand; — ey,— y,s.fsoort van) brandewyn, sjees, licht rytuig; — ing, a. hevig, ontstuimig, ontzetteud.

Whiaper (wit]»), i. gefluister; —, v. a. (toe-)' fluisteren, inblazen, v. n. fluisteren; —er, b. fluisteraar; —ing, s. gefluister.

Whiat (wiet), a. stil; —, s. whist (zeker kaartspel); —, v. a. stillen, v. n. stil zyn; —, int. st I stil 1

WhiatIe (teifl), s. gefluit, geblaas, fluitje;, whet your —, drink eens! to pay too

Sluiten